|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3516 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 april 2004, 03/709
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.E. Weiland, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H. Drenth, advocaat te
Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. van
Werven.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 27 juni 2001 heeft het Uwv de uitkering van appellante
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%, met ingang van 31 juli 2001 ingetrokken, onder overweging dat
de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum
minder dan 15% was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft
het Uwv bij besluit van 28 november 2001 ongegrond verklaard. De
rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 14 januari 2003, reg.nr.
01/2470, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dit
besluit vernietigd.
Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en het
Uwv heeft bij besluit van 13 februari 2003 het bezwaar gegrond verklaard
en de uitkering van appellante ingevolge de WAO met ingang van 31 juli
2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij
de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit van 13 februari 2003 ongegrond verklaard.
In hoger beroep hebben de opeenvolgende gemachtigden van appellante de
medische grondslag van het bestreden besluit en het oordeel van de
rechtbank dat er geen reden was voor een nieuw medisch onderzoek
aangevochten. Ter zitting heeft mr. Drenth, voornoemd, daaraan nog
toegevoegd dat appellante vanwege haar lage opleidingsniveau en
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal de aan de schatting ten
grondslag gelegde functie niet zou kunnen vervullen.
De Raad oordeelt als volgt.
Nu partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank van 14 januari 2003, heeft deze uitspraak kracht van gewijsde
gekregen en zijn de overwegingen in die uitspraak uitgangspunt bij de
beoordeling van de vraag of de rechtbank het beroep van appellante tegen
het besluit van 13 februari 2003 terecht ongegrond heeft verklaard.
In de uitspraak van 14 januari 2003 heeft de rechtbank overwogen dat
hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd niet tot de conclusie
leidt dat sprake is van onvolledig of onvoldoende medisch onderzoek, dat
de beperkingen van appellante door de verzekeringsarts correct zijn
vastgesteld en dat voor het benoemen van een medisch deskundige geen
aanleiding bestaat. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat er
onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat appellante
vanwege een slechte beheersing van de Nederlandse taal en vanwege haar
opleidingsniveau de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet
zou kunnen vervullen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de
functiebelasting van deze functies, gelet op de motivering van de
bezwaarverzekeringsarts, de belastbaarheid van appellante overschrijdt.
Gelet op een memo van de bezwaararbeidsdeskundige van 6 december 2002,
waaruit blijkt dat het maatmanloon te laag is vastgesteld en de aan de
schatting ten grondslag gelegde functies niet onverkort blijven
gehandhaafd, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid
van 15 tot 25%, heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de
rechtbank medegedeeld het in het bestreden besluit neergelegde standpunt
niet langer te handhaven. Om die reden heeft de rechtbank dit besluit
wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht
vernietigd. De Raad merkt daarbij overigens op dat het in de rede zou
hebben gelegen dat de rechtbank toentertijd zelf in de zaak had voorzien
door de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 31
juli 2001 vast te stellen in de klasse van 15 tot 25%.
Gelet op voormelde overwegingen van de rechtbank is de medische
grondslag van het bestreden besluit thans niet meer in geding en staat
de arbeidskundige grondslag van dit besluit niet meer ter discussie,
voorzover het betreft de door appellante in hoger beroep opgeworpen
vraag of zij vanwege een slechte beheersing van de Nederlandse taal en
vanwege haar opleidingsniveau de aan de schatting ten grondslag gelegde
functies wel zou kunnen vervullen.
Ter uitvoering van de uitspraak van 14 januari 2003 heeft het Uwv in
overeenstemming met het in voormeld memo neergelegde standpunt de
uitkering van appellante ingevolge de WAO met ingang van 31 juli 2001
bij het thans bestreden besluit van 13 februari 2003 herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Nu tegen de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid door
appellante geen inhoudelijke grieven zijn aangevoerd en ook de Raad geen
aanleiding ziet deze berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid
voor onjuist te houden, leidt het vorenstaande de Raad tot de slotsom
dat het hoger beroep geen doel treft en derhalve de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Tot slot acht de Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.
Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 19 juli 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
|
|