|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4266 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 mei 2005, 04/514
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK
Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006.
Appellante en haar gemachtigde zijn, na voorafgaand bericht, niet
verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M.
Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 6 november 2003 heeft het Uwv aan de werkgever van
appellante met toepassing van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een
loondoorbetalingsverplichting van 8 maanden opgelegd wegens het zonder
deugdelijke grond verrichten van onvoldoende reïntegratie-inspanningen
ten behoeve van appellante. Tegen dit besluit is noch door de werkgever
noch door appellante bezwaar gemaakt zodat deze verlenging van de
loondoorbetalingsplicht van de werkgever rechtens onaantastbaar is
geworden.
Met een besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de WAO-aanvraag van
appellante in verband met de opgelegde loondoorbetalingsverplichting
afgewezen.
Bij besluit van 23 april 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante
tegen het laatstgenoemde besluit van 6 november 2003 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en
daartoe in de aangevallen uitspraak als volgt overwogen:
"Gelet op de imperatieve formulering van artikel 34a, tweede lid,
van de WAO is verweerder gehouden de aanvraag van een uitkering
krachtens de WAO af te wijzen indien toepassing is gegeven aan artikel
71, negende lid, van de WAO. De afwijzing van de aanvraag is uitsluitend
afhankelijk gesteld van de aanwezigheid van een verlengde
loondoorbetalingsplicht op grond van artikel 71, negende lid, van de
WAO. Nu het besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsplicht
formele rechtskracht heeft gekregen, heeft verweerder dan ook op goede
gronden de aanvraag van eiseres afgewezen.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de wet niet voorziet in
een mogelijkheid op grond van een dringende reden af te zien van het
opleggen van een loondoorbetalingsverplichting of van het afwijzen van
de aanvraag om een uitkering krachtens de WAO. Ook overigens is de
rechtbank niet gebleken van enig aanknopingspunt, in de wetgeschiedenis
of anderszins, dat een rechtvaardiging zou kunnen vormen om niet vast te
houden aan de - ondubbelzinnige - wettekst van artikel 34a, tweede lid,
van de WAO."
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat appellante door de
opgelegde loondoorbetalingsverplichting in combinatie met het
faillissement van de werkgever achter het net vist en dat de aanvraag
van appellante om een uitkering ingevolge de WAO op grond van enig(e)
beginsel(en) van behoorlijk bestuur en/of andere regels van (on)geschreven
recht alsnog in behandeling dient te worden genomen.
Het Uwv heeft in hoger beroep betoogd dat het hier niet zozeer gaat om
de rechtmatigheid van het bestreden besluit maar om de
privaatrechtelijke gevolgen daarvan, welke gevolgen voor een deel kunnen
worden opgevangen door de toepassing van hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet.
De Raad oordeelt als volgt.
Met de rechtbank is de Raad, onder verwijzing naar en met
onderschrijving van de hiervoor weergegeven overwegingen in de
aangevallen uitspraak, van oordeel dat de imperatieve formulering van
artikel 34a, tweede lid, van de WAO er onmiskenbaar toe strekt dat de
aanvraag van een werknemer om een uitkering ingevolge deze wet door het
Uwv wordt afgewezen als aan de werkgever met toepassing van artikel 71a,
negende lid, van de WAO een loondoorbetalingsverplichting is opgelegd en
dat de wet voorts niet voorziet in de mogelijkheid om in bijzondere
situaties hiervan af te wijken. Dat de werkgever door het faillissement
niet in staat is gebleken aan zijn loonbetalingsverplichting jegens zijn
werknemer te voldoen is een omstandigheid die derhalve geen rol kan
spelen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.
Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 19 juli 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
|
|