|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1282 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2004,
03/876 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant
is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 14 oktober 2002 is geweigerd aan appellant per 11
november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van 3
februari 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het
evenvermelde besluit ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het bestreden
besluit ongegrond verklaard onder overweging dat er geen reden is om te
twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts. Hetgeen in
beroep is aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om de
juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten
grondslag ligt in twijfel te trekken.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de onderzoeken van het
Uwv niet, althans onvoldoende, gericht waren op zijn situatie per einde
wachttijd. Appellant is van oordeel dat het Uwv geen juist beeld heeft
van de lawaaidoofheid per de datum in geding. Ten onrechte is er geen
nieuw (onafhankelijk) onderzoek gedaan naar de beperkingen ten gevolge
van de lawaaidoofheid.
De Raad overweegt als volgt.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts H.
Nouri op basis van een zorgvuldig onderzoek tot de conclusie is gekomen
dat voor appellant geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van
arbeid gelden. Deze conclusie is door bezwaarverzekeringsarts J.C.
Weegink onderschreven. Weegink heeft in de heroverweging de - in bezwaar
aangegeven - gehoorklachten betrokken en zich op het standpunt gesteld
dat de werkgever in het kader van de Arbo-wet zorg dient te dragen voor
gehoorbescherming.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken geen
grondslag bieden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor
onjuist te houden. De Raad ziet geen aanleiding voor het doen instellen
van een nader medisch onderzoek naar de gehoorklachten nu deze klachten
door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling zijn betrokken en er
van de zijde van appellant geen nadere medische gegevens zijn overgelegd
die een ander licht werpen op zijn gezondheidssituatie.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigt dient
te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 21 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|