|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2897 WAO en 04/2898 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 april 2004, 02/2260 en
03/1414 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006.
Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
Bij het thans bestreden besluit van 29 april 2003 heeft het Uwv alsnog
het bezwaar van appellante tegen het ten aanzien van haar ter uitvoering
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit
van 6 november 2001 gegrond verklaard. Daarbij was de uitkering
ingevolge de WAO, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 26 december 2001 herzien naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij het bestreden besluit is
de uitkering in plaats daarvan per genoemde datum herzien naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer als haar
oordeel gegeven dat de stellingen van appellante tegen het bestreden
besluit geen doel treffen en heeft dit besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij het niet eens is met
de beslissing van het Uwv dat zij in een omvang van twintig uur per week
werkzaamheden kan verrichten, omdat haar psychische klachten steeds
erger zijn geworden, hetgeen voor de huisarts reden is geweest haar te
verwijzen naar een psycholoog. Ter adstructie hiervan heeft appellante
een intakerapport van 12 mei 2004 ingezonden van de GGz Nijmegen.
Hieraan valt te ontlenen dat besloten is appellante voor haar psychische
klachten zo snel mogelijk te behandelen.
Het Uwv heeft bij verweerschrift zich op het standpunt gesteld dat de
omstandigheid dat appellante zich in mei 2004, derhalve tweeëneenhalf
jaar na de datum in geding, niet geschikt acht voor het verrichten van
werkzaamheden in verband met een verergering van haar klachten, geen
aanleiding geeft voor de veronderstelling dat de belastbaarheid van
appellante ten tijde in geding niet op juiste wijze zou zijn
vastgesteld.
Voorts heeft het Uwv in zijn verweerschrift gesteld dat het op de weg
van appellante ligt om zich in verband met verergering van haar klachten
toegenomen arbeidsongeschikt te melden waarna een nieuw
beoordelingsmoment ontstaat.
De Raad onderschrijft dit betoog in zijn beide onderdelen. In hoger
beroep heeft appellante geen gegevens ingezonden die betrekking hebben
op haar gezondheidssituatie per 26 december 2001 noch vallen uit
voormeld rapport van de GGz Nijmegen aanwijzingen te ontlenen dat de
belastbaarheid van appellante toentertijd onjuist is ingeschat.
Ook overigens heeft de Raad geen reden voor het oordeel dat het
bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W.
Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21
juli 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|