|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4487 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juli 2004,
03/4006 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te 's-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van
bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006.
Appellante is verschenen bij gemachtigde Van Es, voornoemd. Het Uwv
heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster wasserij en is
op 29 januari 2001 voor haar werkzaamheden uitgevallen wegens griep en
schouderklachten.
Op 5 februari 2002 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts J.B.
Tuinhof de Moed, die op 6 februari een rapport heeft uitgebracht. Uit
dit rapport blijkt dat de klachten van appellante gelegen zijn in
overbelasting bij geringe lichaamslengte bij een niet aangepaste
werkplek, maar dat wel sprake is van duurzame benutbare mogelijkheden
voor het verrichten van arbeid. Tuinhof de Moed heeft geconcludeerd dat
de voor appellante vastgestelde mogelijkheden en beperkingen zoals
vastgelegd in het Functie Informatie Systeem (FIS) van 20 juni 2001
onverminderd van toepassing blijven. Aan de hand hiervan heeft de
arbeidsdeskundige A. Kalsbeek functies geselecteerd. In het door
Kalsbeek op 13 maart 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de
aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante op nihil moet worden gesteld zodat
appellante ingedeeld dient te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse
van minder dan 15%. Bij besluit van 16 april 2002 heeft het Uwv
geweigerd om aan appellante met ingang van 28 januari 2002 een uitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te
kennen.
In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts drs. J.W.R. Dijkstra
op 26 juni 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat de
primaire beslissing op logische en consistente wijze tot stand is
gekomen en dat in bezwaar geen feitelijke nieuwe gegevens naar voren
zijn gebracht zodat de primaire beslissing medisch gezien in stand kan
blijven. De bezwaararbeidsdeskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam heeft
geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid evenals bij de
primaire beslissing, minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 14
augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren
van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. De rechtbank onderschreef de medische beoordeling door de
(bezwaar)verzekeringsarts. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de
geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon.
Verder is de rechtbank van oordeel dat appellante met het vervullen van
die functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met
het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15%
bedraagt.
Hetgeen appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak naar
voren heeft gebracht, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van de
reeds bij de rechtbank aangevoerde en in de aangevallen uitspraak
besproken grieven dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat
de schatting niet gehandhaafd kan worden vanwege overschrijdingen in de
geduide functies. Tevens heeft de gemachtigde verzocht om onderzoek door
een onafhankelijk neuroloog.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de
bezwaarverzekeringsarts Dijkstra in zijn rapport van 26 juni 2003
geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellant, zoals in de primaire
fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Tuinhof de
Moed, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde in geding
bestaande medische beperkingen. Op grond van het vorenstaande is er naar
de mening van Dijkstra geen noodzaak tot wijziging van het oordeel van
Tuinhof de Moed, die appellante, gezien haar schouderklachten, sterk
beperkt acht op de punten trappenlopen, klimmen en klauteren, knielen,
kruipen en hurken, geboden werken, kortcyclisch buigen en torderen,
gebruik van de nek, reiken, bovenhands werken, tillen, duwen en trekken,
dragen, koude en vibratiebelasting.
De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de
bezwaarverzekeringsarts Dijkstra niet op grond van adequate
verzekeringsgeneeskundige motieven heeft geoordeeld dat de
belastbaarheid van appellante met het door de verzekeringsarts Tuinhof
de Moed vastgestelde FIS niet is overschat. Al eerder heeft de Raad
overwogen dat in artikel 18 van de WAO - voor zover in dit verband van
belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen
hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met
arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient
dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van
arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar
objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan
of mag verrichten.
Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd maar overigens
niet is onderbouwd met nadere gegevens, biedt onvoldoende
aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen
van een nader medisch onderzoek. De Raad tekent daarbij nog aan dat de
medische informatie, overgelegd in de bezwaarfase en waarop in hoger
beroep is gewezen, ook door Dijkstra is beoordeeld.
De arbeidsdeskundige Kalsbeek heeft zes functies als zijnde geschikt
voor appellante geselecteerd en daarbij de drie functies met de hoogste
loonwaarde als basis gebruikt voor het vaststellen van de theoretische
resterende verdiencapaciteit. Als reserve functie is onder andere
voorgehouden de functie van pakhuis-, magazijn- en expeditieknecht met
fb-code 9714. De bezwaararbeidsdeskundige Optekamp-van Kaam heeft nadat
een functie is komen te vervallen een reserve functie bijgeduid. De
bezwaararbeidsdeskundige Optekamp-van Kaam heeft de functie
printplatenmonteur (fb-code 8538) laten vervallen en daarvoor in de
plaats gesteld de functie inpakker (fb-code 9717). Optekamp-van Kaam
heeft voorts de functies assemblage medewerkster (fb-code 8463) en
strijkster (fb-code 5605) gehandhaafd. In eerste aanleg heeft de
bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker de functie inpakker laten vervallen
en vervangen door de reeds door Kalsbeek in haar rapport vermelde, maar
niet door Optekamp-van Kaam gehandhaafde functie van pakhuis-, magazijn-
en expeditieknecht. Waar het hier gaat om een schatting bij einde
wachttijd, acht de Raad deze werkwijze volgens vaste jurisprudentie,
anders dan geoordeeld zou kunnen worden in het geval van een herziening
of intrekking, niet ongeoorloofd, zodat het beroep op het
rechtszekerheidsbeginsel niet opgaat.
Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen
beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is
de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de
door de bezwaararbeidsdeskundige Dekker blijkens zijn rapportage van 12
januari 2004 uiteindelijk overblijvende functies niet zou kunnen
verrichten. Weliswaar komen in de functies relevante markeringen voor
bij enkele onderdelen, maar de bezwaarverzekeringsarts Dijkstra heeft in
zijn rapportage van 26 juni 2003 gemotiveerd waarom er op diverse
onderdelen geen sprake is van overschrijdingen van appellantes
belastbaarheid. Tevens hebben bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg en bezwaararbeidsdeskundige Dekker in de rapportage van
12 januari 2004 naar aanleiding van het beroep bij de rechtbank nogmaals
de overschrijdingen besproken.
Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende
functies met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert in
een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Het Uwv heeft
derhalve terecht geweigerd om aan appellante een WAO-uitkering toe te
kennen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht, is ingevolge
artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige
geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 8 augustus 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|