|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/3402 WAO en 04/4006 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 mei 2004, kenmerk
02/1377 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de Raad een afschrift gezonden van het besluit van 15
juli 2004, waartegen namens appellant beroep is ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2006. Namens
appellant is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens het Uwv is
verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat thans met het volgende.
Appellant werkte laatstelijk bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats].
Bij besluit van 13 november 1984 heeft het Uwv met ingang van 19 oktober 1984 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het
WAO-dagloon is vastgesteld op f 142,87. In dit besluit heeft appellant
berust.
Bij brief van 18 april 2001 is namens appellant verzocht om het dagloon
alsnog te verhogen, waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening
is gehouden met de pensionkostentoeslag, de reiskostenvergoeding voor
een jaarlijkse vakantiereis naar het land van herkomst, zes extra
reisdagen en extra vakantieverlof. Tevens is verzocht de wettelijke
rente te vergoeden over de nabetaling.
Bij besluit van 22 mei 2002 heeft het Uwv het WAO-dagloon van appellant
per 19 oktober 1984 verhoogd tot f 149,05. Hierbij is rekening gehouden
met een reiskostenvergoeding ad f 1008,-- en een pensionkostentoeslag
van f 46,-- per vier weken. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant
onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de
zes extra reisdagen, extra vakantiedagen en diverse toeslagen die
appellant genoot.
Bij afzonderlijk besluit van 24 mei 2002 heeft het Uwv aan appellant
medegedeeld dat over de nabetaling geen wettelijke rente zal worden
vergoed.
Bij het bestreden besluit van 9 september 2002 is het bezwaar tegen de
besluiten van 22 mei 2002 en 24 mei 2002 ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat vakantietoeslag moet
worden bijgeteld over de toegekende toeslagen.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het is
gericht tegen de weigering wettelijke rente te vergoeden en het
bestreden besluit in zoverre vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank
overwogen dat het Uwv het standpunt ten aanzien de weigering wettelijke
rente te vergoeden niet heeft gehandhaafd. Wat de hoogte van het dagloon
betreft, heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven.
Bij het besluit van 15 juli 2004 heeft het Uwv vanaf 1 juli 2001 aan
appellant wettelijke rente toegekend.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
Het hoger beroep van appellant is uitdrukkelijk beperkt tot de
aangevallen uitspraak, voorzover die betrekking heeft op de hoogte van
het WAO-dagloon. Dat betekent dat de Raad niet toekomt aan het beroep
dat is ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2004. Dit dient door de rechtbank te worden behandeld en de Raad
zal dit dan ook doorzenden naar de rechtbank.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant van 18 april 2001 is het
Uwv teruggekomen van het besluit van 13 november 1984.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN
AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn
geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid
gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden
beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt
verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit
met zich dat het aan appellant is aan te geven waarom de eerdere
besluiten niet juist zouden zijn en van zijn stellingen - uiterlijk in de
bezwaarfase - het nodige bewijs te leveren.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra
reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een
werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het
feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige
collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel
wordt daardoor niet groter.
Nu appellant heeft berust in de oorspronkelijke dagloonvaststelling ligt
het op zijn weg gegevens aan te dragen waaruit volgt dat de eerdere
dagloonvaststelling onjuist is. Hierin is appellant niet geslaagd. Door
appellant zijn geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij in de
referteperiode een CAO-toeslag heeft ontvangen. Ook heeft appellant geen
gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij in de referteperiode een
TIN-toeslag of vuilwerktoeslag ontving.
Met betrekking tot de hoogte van de pensionkostentoeslag heeft appellant
aangevoerd dat het Uwv in veel zaken van ex-collega’s uitgaat van een
bedrag ad f 46,16 terwijl in zijn geval wordt uitgegaan van een bedrag
ad f 46,--. Appellant acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Namens het Uwv is het standpunt ingenomen dat appellant, in
tegenstelling tot veel van zijn voormalige collega’s, geen enkel
bewijs heeft geleverd van de ontvangst van een bedrag aan
pensionkostentoeslag. In zijn schrijven van 18 april 2001 heeft
appellant verzocht om een bedrag van ruim f 46,-- netto per maand mee te
nemen in het dagloon. Het Uwv meent dat appellant niet te kort is
gedaan.
Gelet op het karakter van deze procedure, onderschrijft de Raad het
standpunt van het Uwv.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 3 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
|
|