|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4918 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 juli 2004,
04/762 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006.
Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich
doen vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het
beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 20 januari 2004,
houdende de ongegrond verklaring van het door appellant gemaakte bezwaar
tegen het besluit van 12 juni 2003, waarbij zijn uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 11 augustus 2003 is herzien naar de klasse 25 tot 35%.
In hoger beroep houdt appellant zijn eerder naar voren gebrachte grieven
staande. Die grieven houden in dat hij niet lichamelijk is onderzocht
door de verzekeringsarts en/of bezwaarverzekeringsarts van het Uwv, dat
ten onrechte geen informatie bij de behandelend sector is ingewonnen en
dat voor hem als gevolg van zijn rugklachten meer arbeidsbeperkingen
gelden dan vanwege het Uwv is aangenomen.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat op basis van de beschikbare
dossiergegevens - de Raad noemt in dit verband het rapport van de
primaire verzekeringsarts van 24 april 2003, de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 15
september 2003 en 8 oktober 2003 en de brief, gedateerd 25 september 2003, van de
behandelend anesthesioloog R.L. van Leersum aan de
bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger - moet worden geoordeeld dat de
beide eerst vermelde grieven van appellant feitelijke grondslag missen.
Ook de derde grief, inhoudend dat de beperkingen die voortvloeien uit de
rugklachten van appellant zijn onderschat, treft geen doel. Appellant
komt ook in hoger beroep niet met enige objectief-medische onderbouwing
daarvoor. Uit de beschikbare stukken komt naar voren dat er weliswaar
bepaalde beperkingen voor appellant gelden, maar er zijn geen
aanknopingspunten om het ervoor te houden dat met die beperkingen niet
reeds in voldoende mate is rekening gehouden bij het opstellen van het
belastbaarheidspatroon. De eigen opvatting van appellant dat hij
zodanige beperkingen ondervindt dat hij in het geheel niet meer kan
werken, vindt bepaald geen steun in de omtrent hem voorhanden zijnde
medische gegevens.
Voorts staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellant, gegeven de voor
hem van toepassing geachte beperkingen, terecht in staat is geacht tot
het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de voor hem
als passende arbeidsmogelijkheden geselecteerde functies. Door de
bezwaararbeidsdeskundige is overtuigend toegelicht dat in die functies
geen belastende aspecten voorkomen die buiten het bereik van appellant
liggen.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 1 september 2006.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|