|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4994 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van rechtbank Maastricht van 3 augustus 2004, 02/1823
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens, medewerker bij FNV
Bondgenoten, hoger beroep ingesteld. Mr. R.A. Severijn, advocaat te
Utrecht, heeft het hoger beroep aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft
zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als internationaal chauffeur toen hij in
september 1998 door ziekte uitviel voor zijn werkzaamheden. Per 28
september 1999 is hem een uitkering in het kader van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
In verband met de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid na het eerste
jaar van de uitkering, is appellant op 23 oktober 2001 door de
verzekeringsgeneeskundige Dautzenberg onderzocht. Die
verzekeringsgeneeskundige is tot de conclusie gekomen dat zich in
vergelijking tot het vorige onderzoek geen wijzigingen in de
belastbaarheid hebben voorgedaan, om welke reden hij het op appellant
van toepassing zijnde belastpatroon niet heeft gewijzigd. Dit leidde tot
het besluit van 24 december 2001, waarbij is bepaald dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant ongewijzigd wordt
voortgezet.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij was van mening
dat hij meer beperkt was dan door het Uwv werd aangenomen. Het Uwv heeft
naar aanleiding van die bezwaren informatie ingewonnen bij de huisarts
van appellant. Dat contact heeft er niet toe geleid dat het Uwv heeft
geconcludeerd dat appellant meer beperkt is dan aanvankelijk door het
Uwv werd aangenomen. Wel heeft het Uwv op basis van de belastbaarheid
van appellant een nieuw arbeidskundig onderzoek verricht waarbij aan
appellant functies werden geduid en waarin werd geconcludeerd dat de
klasse-indeling moest worden gewijzigd. Dat leidde het Uwv vervolgens
tot het bij het thans bestreden besluit van 24 oktober 2002 ingenomen
standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van 24 oktober 2001 tot 6
december 2002 moet worden gesteld op 80 tot 100% en dat er per 6 december 2001 sprake is van een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zijn
stellingen in beroep komen er op neer dat het belastbaarheidspatroon
onjuist is vastgesteld en dat de geduide functies niet door hem kunnen
worden verricht.
Het Uwv heeft in het kader van de behandeling van het beroep de
actualiteitswaarde van de aanvankelijk op basis van het zogenoemde
Functie Informatiesysteem (FIS) geduide functies beoordeeld aan de hand
van het later daarvoor in de plaats gestelde Claimbeoordelings- en
Borgingssysteem (CBBS) en is daarbij tot de conclusie gekomen dat die
functies ook in dit nieuwe systeem met een voldoende actuele datum
voorkomen. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat een aantal functies uit
het FIS inmiddels was samengevoegd tot één nieuwe CBBS-code. Aangezien
echter nog steeds drie functies met voldoende arbeidsplaatsen konden
worden geduid waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigde,
was het Uwv van oordeel dat het bestreden besluit kon blijven
gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft
daarbij overwogen dat het Uwv het CBBS in beginsel mede kon hanteren bij
de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, waarbij de rechtbank
er met name op heeft gewezen dat het CBBS slechts werd gehanteerd bij de
beantwoording van de vraag of de geduide functies nog wel voldoende
actualiteitswaarde hadden. De rechtbank heeft daarbij wel overwogen dat
de functie van bestelautochauffeur niet kon worden geduid in verband met
de ook door de bezwaarverzekeringsarts gemaakte opmerking dat die
functie minder geschikt was voor appellant. De rechtbank was daarbij van
oordeel dat er echter voldoende functies overbleven om tot een schatting
te komen en dat niet was gebleken dat het vervallen van die functie
leidt tot een indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.
De stellingen van appellant in hoger beroep zijn in wezen een herhaling
van hetgeen hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. Appellant acht
zijn belastbaarheid beperkter dan door het Uwv is aangenomen. Hij stelt
dat het CBBS niet mocht worden gehanteerd voor de actualisering en dat
door het oordeel van de rechtbank de functie van bestelautochauffeur is
afgevallen zodat thans onvoldoende functies resteren om een schatting op
te baseren.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is allereerst van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen
aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid zoals
die naar aanleiding van de bezwaren van appellant is neergelegd in het
belastbaarheidspatroon van 23 september 2002. Appellant heeft daartegen
ook geen van stukken van medici ingebracht die op een beperktere
belastbaarheid duiden.
Zoals de Raad reeds diverse malen heeft overwogen, is het CBBS een
hulpmiddel bij de bepaling van de mate arbeidsongeschiktheid en zijn er
in beginsel geen bezwaren tegen de hantering daarvan. In het onderhavige
geval heeft het Uwv de schatting gebaseerd op het FIS en is slechts voor
de actualisering van de functies het CBBS geraadpleegd. Aangezien de
inzichtelijkheid of de controleerbaarheid daarbij niet in het gedrang
zijn gekomen en appellant ook niet heeft aangetoond op welk onderdeel
het hanteren van het CBBS in casu te kort schiet, dan wel om welke reden
de actualisering onjuist is, ziet de Raad geen aanleiding om te
concluderen dat het Uwv in casu ten behoeve van die actualisering het
CBBS niet kon raadplegen.
De Raad volgt appellant evenmin in zijn stelling dat door de uitspraak
van de rechtbank de functie van bestelautochauffeur niet langer bij de
berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid kan worden betrokken.
De Raad is van oordeel dat, nu het Uwv geen aanwijsbaar belang had bij
het instellen van beroep tegen de aangevallen uitspraak, en gelet op het
geheel van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, waarbij ingevolge vaste
jurisprudentie, zowel de medische als de arbeidskundige beoordeling
steeds in de volle omvang aan de orde kunnen worden gesteld, er ook in
het onderhavige geval een zodanige samenhang bestaat tussen de gronden
van appellant en de stellingen van het Uwv, dat ook thans beoordeeld kan
worden in hoeverre de functie van bestelautochauffeur aan de berekening
van de arbeidsongeschiktheid ten grondslag kan worden gelegd.
De Raad is met het Uwv van oordeel dat er geen redenen zijn om aan te
nemen dat appellant die functie niet zou kunnen uitoefenen. De Raad
onderkent dat appellant is uitgevallen uit de functie van internationaal
vrachtwagenchauffeur, zodat het op het eerste gezicht niet in de rede
ligt te veronderstellen dat hij thans geschikt is voor een andere
chauffeursfunctie, maar zoals in de rapportage van de
bezwaarverzekeringsgeneeskundige Corten van 6 april 2004 is aangevoerd,
heeft die functie voldoende afwisseling, is het gebruik van de nek in
die functie slechts beperkt en hoeven daarmee geen extreme rotaties te
worden gemaakt. Voorzover er al aanpassingen aan de bestelauto zouden
moeten plaatsvinden in de vorm van stuurbekrachtiging of automatische
transmissie, ziet de Raad daarin geen bewaar tegen het uitoefenen van de
functie gelegen omdat dit technische voorzieningen zijn die in
redelijkheid van een werkgever kunnen worden verlangd.
De Raad is derhalve van oordeel dat appellant in staat moet worden
geacht de geduide functie van bestelautochauffeur uit te oefenen. Ook
ten aanzien van de overige geduide functies heeft appellant onvoldoende
aangetoond dat hij die niet zou kunnen vervullen.
Dit betekent eveneens dat het Uwv voldoende verschillende functies aan
de schatting ten grondslag heeft gelegd. Aangezien het de Raad niet is
gebleken dat de schatting overigens onjuist zou zijn, kan deze in stand
blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in
de zin van artikel 8:75, van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G.
Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 19 september 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) S. Sweep.
|
|