|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/586 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2005,
05/748 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2006.
Appellante is - zoals schriftelijk was bericht - niet verschenen en het
Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A. Smithuyzen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 31 juli 2002 heeft het Uwv bepaald dat appellantes mate
van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 15
tot 25%.
Bij besluit van 3 juli 2003 is het bezwaar van appellante tegen het
besluit van 31 juli 2002 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 december 2004, 03/3546, heeft de rechtbank
Amsterdam het beroep tegen het besluit van 3 juli 2003 gegrond verklaard
en dat besluit vernietigd omdat er sprake was van een motiveringsgebrek
nu de omzetting van het Functie Informatie Systeem (FIS) naar de
Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet was toegelicht en ook niet
was voldaan aan de eis dat uiterlijk bij besluit op bezwaar de schatting
dient te zijn voorzien van een deugdelijke toelichting en motivering.
Bij besluit van 23 februari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv
het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
De rechtbank in de aangevallen uitspraak is de volgende overweging
opgenomen (lees voor “verweerder” “het Uwv”):
"De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 16 december 2004
is geoordeeld dat in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het
vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten zijn
gevonden voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische
beperkingen is uitgegaan. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is
ingesteld staat rechtens vast dat verweerder de voor eiseres in de
onderhavige beoordelingsperiode - die eindigt op 31 juli 2002 (datum
primaire beslissing) - geldende medische beperkingen juist heeft
vastgesteld. Dit betekent dat voor zover eiseres heeft aangevoerd dat er voor haar meer en andere beperkingen gelden dan
waarvan verweerder is uitgegaan, de rechtbank dit in de onderhavige
procedure buiten beschouwing moet laten."
De Raad onderschrijft bovenstaande overweging en is evenals de rechtbank
van oordeel dat - nu appellante geen hoger beroep heeft ingesteld
tegen de uitspraak van 16 december 2004 - de omvang van het geding
beperkt is tot het arbeidskundige deel van de beoordeling. Het medische
deel van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zal de Raad dan ook
onbesproken laten.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel
neergelegd dat gelet op de FML (Functionele Mogelijkheden Lijst), de
normaalwaarden, de belasting in de geduide functies en de door de
arbeidsdeskundige gegeven toelichting van 16 februari 2005 het Uwv
toereikend heeft gemotiveerd dat en waarom de geduide functies passend
zijn voor appellante. Het Uwv heeft volgens de rechtbank met het besluit
van 23 februari 2005 op de juiste wijze uitvoering gegeven aan de
uitspraak van 16 december 2004 en het beroep is ongegrond verklaard.
Bij brief van 24 juli 2006 zijn namens appellante nog enkele
kanttekeningen geplaatst bij de passendheid van de voorgehouden
functies.
De Raad ziet geen aanleiding om het standpunt van appellante dat de aan
de schatting ten grondslag gelegde functies niet passend zijn te volgen.
Gelet op de door de door de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur
gegeven toelichting in de rapportage van 16 februari 2005 is de Raad van
oordeel dat de in de functies voorkomende belasting de mogelijkheden van
appellante niet te boven gaat.
Een vergelijking van het maatmaninkomen met de op basis van de functies
mogelijk te verwerven inkomsten voert tot de conclusie dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante bij het bestreden besluit niet is
onderschat.
Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de
aangevallen uitspraak bevestigd te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 15 september 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|