|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4232 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 28 juni 2004, 03/1605
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek is op 11 augustus 2006 ter zitting aan de orde gesteld.
Appellante noch het Uwv zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster voor 30 uur per
week, is uitgevallen voor haar werk op 11 juli 2002 in verband met
chronische vermoeidheidsklachten.
Bij primair besluit van 18 juni 2003 is haar een WAO-uitkering geweigerd
omdat zij per einde wachttijd, 27 juni 2003, minder dan 15%
arbeidsongeschikt wordt geacht. Vervolgens is bij primair besluit van 16
oktober 2003 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van 27 juni 2003.
Aan deze besluiten liggen medische en arbeidskundige beoordelingen ten
grondslag, welke door de rechtbank zijn beschreven in de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met een verwijzing naar de betreffende
passages in de aangevallen uitspraak.
Het bezwaar van appellante tegen bovengenoemde besluiten is gegrond
verklaard bij besluit van 6 november 2003 (hierna: bestreden besluit) in
die zin dat appellante met ingang van 27 juni 2003 recht heeft op een
WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Voor wat betreft de onderliggende oordeelsvorming op medisch en
arbeidskundig gebied verwijst de Raad naar de desbetreffende passages in
de aangevallen uitspraak.
De rechtbank Alkmaar heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep
ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij ten aanzien van de medische
grondslag van het besluit (kort samengevat) overwogen dat het medische
oordeel zorgvuldig tot stand is gekomen en dat met name de medische
urenbeperking voldoende is gemotiveerd; dat, gelet op de diverse
medische rapportages, bij appellante geen sprake is van een situatie van
“geen duurzaam benutbare mogelijkheden” en dat zij, mede gezien het
feit dat er door appellante geen medische gegevens zijn overgelegd die
de rechtbank doen twijfelen aan het medisch oordeel of de vastgestelde
beperkingen, geen aanleiding ziet om te twijfelen aan het medisch
oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij, op basis van de
gedingstukken, voldoende overtuigd is van de geschiktheid van appellante
voor de geselecteerde functies en dat het Uwv de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 27 juni 2003 juist
heeft vastgesteld.
In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank met
betrekking tot het door E. Kerver, arts-assistent Inwendige Geneeskunde
- mede ondertekend door M.C.J. Schreuder, internist - gedateerd 1 maart
2004, bestreden. Zij voert aan dat zij niet in staat is om arbeid te
verrichten gelet op de chronische vermoeidheidsklachten, hetgeen uit
bovengenoemd rapport valt op te maken. Ter nadere onderbouwing van haar
stelling heeft zij brieven overgelegd van natuurgeneeskundige W.
Bastiaanse, gedateerd 3 september 2004 en van huisarts H. Kaandorp,
gedateerd 23 augustus 2004.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de
stukken, geen grond voor twijfel is aan de door de verzekeringsartsen in
acht genomen medische beperkingen van appellante en stelt zich volledig
achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. De door appellante in
hoger beroep ingediende brieven van de natuurgeneeskundige en huisarts
bevatten naar het oordeel van de Raad geen nieuwe medische informatie
die aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen geeft.
Wat betreft de geschiktheid van de geselecteerde functies voor
appellante stelt de Raad zich eveneens volledig achter de overwegingen
van de rechtbank op dit punt en concludeert, met de rechtbank, dat het
Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 27 juni
2003 heeft vastgesteld op 25 tot 35%.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 22 september 2006.
(get.) J. Brand.
(get.) N.E. Nijdam.
|
|