|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/3978 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 juni 2004, 03/792
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 20 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Mr. K.P.T.G. Flos, advocaat te Middelburg, heeft namens betrokkene een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. van Loon. Namens
betrokkene is verschenen mr. Flos.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene was werkzaam als operator in vijfploegendienst bij [naam
werkgever], toen hij uitviel met psychische klachten en klachten aan
zijn rechterschouder. Na het bereiken van de voorgeschreven wachttijd
kende appellant hem met ingang van 21 november 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan dit besluit lag de overweging
ten grondslag dat betrokkene op dat moment geen duurzaam benutbare
mogelijkheden had. Tijdens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 20
maart 2001 heeft verzekeringsarts J. de Lange vastgesteld dat voor
betrokkene beperkingen golden op zowel psychisch gebied als fysiek
terrein. De Lange achtte betrokkene beperkt voor het werken onder sterke
werkdruk en niet in staat grote verantwoordelijkheid in zijn werk te
dragen. Vanwege de klachten op schouder/nekgebied achtte De Lange
betrokkene niet in staat tot het verrichten van zwaardere fysieke
arbeid. Arbeidskundig onderzoek liet een verlies aan verdiencapaciteit
zien van 53,24%, waarna appellant bij besluit van 22 mei 2001 de
WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 21 juli 2001 verlaagde naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Op 10 januari 2002 vond opnieuw een arbeidskundig onderzoek plaats. Het
verlies aan verdiencapaciteit werd toen berekend op 55,13%. Appellant
heeft vervolgens bij besluit van 14 januari 2002 de WAO-uitkering met
ingang van 13 december 2001 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55
tot 65%.
Mr. Flos heeft namens betrokkene tegen zowel het besluit van 22 mei 2001
als tegen het besluit van 14 januari 2002 bezwaar gemaakt. Tijdens de in
beide bezwaarzaken op 14 februari 2002 gehouden hoorzitting heeft mr.
Flos aangegeven dat, gelet op het feit dat betrokkene jarenlang dezelfde
werkhandelingen heeft verricht, gedacht wordt aan RSI. Tevens heeft hij
aangegeven dat vanwege de schouderklachten betrokkene minder kan tillen
dan appellant aanneemt. Flos heeft aangegeven dat zich in zijn dossier
diverse medische stukken bevinden en dat hij met betrokkene zal
overleggen of deze stukken aan de bezwaarverzekeringsarts worden
overhandigd. Betreffende stukken zijn door de bezwaarverzekeringsarts
ontvangen en in haar rapportage 27 februari 2002 heeft de
bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de toegezonden medische
informatie, afkomstig van de fysiotherapeut Luesken, de orthopeed
Schuijt, de psychotherapeut Hermans, de osteopaat Van der Lijke en het
journaal van de huisarts van 15 november 2000 haar geen aanleiding geeft
het opgestelde belastbaarheidspatroon te wijzigen. Zij heeft daarbij
aangegeven dat de osteopaat de diagnose fibromyalgie heeft geopperd,
maar dat daar verder geen onderzoek naar is gedaan en dat de diagnose
RSI en fibromyalgie niet door een arts zijn gesteld.
Appellant heeft bij besluit van 23 mei 2002 de bezwaren van betrokkene
tegen de besluiten van 22 mei 2001 en 14 januari 2002 ongegrond
verklaard.
Bij brief van 3 oktober 2002 heeft Flos appellant het verslag
toegezonden dat M.W. van Essen, arts bij het Nederlands RSI Instituut,
op 23 september 2002 heeft opgemaakt van een onderzoek van betrokkene
dat hij op 9 en 23 september 2002 heeft verricht en waarbij hij heeft
vastgesteld dat er sprake is van RSI. In een daarop volgende brief van
22 november 2002 heeft Flos gevraagd de WAO-uitkering te herzien,
hetgeen door appellant is opgevat als een verzoek om terug te komen van
het besluit 23 mei 2002.
Appellant heeft bij besluit van 4 september 2003 dit verzoek met
toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken
feiten of veranderde omstandigheden. Het bezwaar van betrokkene tegen
dit besluit heeft appellant bij besluit van 27 november 2003 (bestreden
besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het
bestreden besluit vernietigd onder de overweging dat enkele van de
klachten die Van Essen blijkens zijn verslag heeft vastgesteld niet zijn
meegenomen in de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van
betrokkene door appellant. Naar het oordeel van de rechtbank betreffen
deze klachten nieuwe feiten, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid van
de Awb. De rechtbank heeft voorts overwogen dat geenszins valt uit te
sluiten dat uit die klachten aanvullende of andere beperkingen
voorvloeien, zodat nader onderzoek dient uit te wijzen of appellant vast
kan houden aan zijn eerdere besluit.
Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat hij meent op
juiste wijze gebruik te hebben gemaakt van de in het kader van artikel
4:6 van de Awb gegeven bevoegdheid. Volgens appellant is niet gebleken
dat het onderzoeksverslag van Van Essen wezenlijk andere gegevens van de
medische situatie van betrokkene vermeldt, dan waarmee de
(bezwaar)verzekeringsarts destijds al bekend was.
De Raad overweegt als volgt.
Het verzoek om terug te komen van het besluit van 23 mei 2002 en het
daarbij gevoegde rapport van Van Essen is beoordeeld door een niet
medisch geschoolde beambte bezwaar en beroep, die tot de hiervoor
vermelde conclusie is gekomen. Bij de vaststelling van de voor
betrokkene geldende belastbaarheid is rekening gehouden met nek- en
schouderklachten. De Raad is echter niet overtuigd van de juistheid van
de door appellant getrokken conclusie. Gelet op de hiervoor weergegeven
overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts sluit de Raad niet uit dat
de bezwaarverzekeringsarts wellicht meer beperkingen zou hebben
aangenomen, indien destijds al de RSI zou zijn vastgesteld door een
arts. Onder deze omstandigheden is het feit dat thans wel door een arts
is vastgesteld dat sprake is van RSI een nieuw feit als bedoeld in
artikel 4:6 van de Awb. De zorgvuldigheid vereist dat onder deze
omstandigheden een (bezwaar)verzekeringsarts het meergenoemde rapport
van Van Essen beoordeelt en beziet of en in hoeverre de inhoud van dit
rapport aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen.
Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep
niet slaagt.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 422,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 20 september 2006.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) P. van der Wal.
|
|