|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4800 WAO en 05/6560 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 juni 2005,
04/975 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft P.J. Reeser, medewerker van SRK Rechtsbijstand
te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, ten dele gevoegd met een
aantal andere zaken op 30 juni 2006. Appellante is verschenen,
bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen
vertegenwoordigen door E.M. Cohen, arbeidskundig beleidsmedewerker, mr.
E.J.S. van Daatselaar, beleidsmedewerker en jurist, H.A.M. Hulshof,
senior bezwaararbeidsdeskundige, W.C. Otto, verzekeringsarts en
beleidsmedewerker en D. Vermeulen, arbeidskundig analist.
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in iedere
zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft haar werkzaamheden als medewerkster van een
automatiseringsbedrijf gestaakt wegens klachten van extreem moe zijn,
concentratieproblemen alsmede veel hoofdpijn en pijn in de rug en nek.
Bij besluit van 28 februari 2003 heeft het Uwv appellante met ingang van
15 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Hieraan lag ten grondslag
dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van
arbeid, maar dat appellante volgens de door de verzekeringsarts
opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geschikt is voor de
door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Nadat appellante hiertegen beroep aangetekend had werd dit besluit
vanwege een motiveringsgebrek door de rechtbank vernietigd met de
opdracht aan het Uwv om een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 12 maart 2004 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv op basis
van een nadere motivering van de bezwaar- verzekeringsarts en
bezwaararbeidsdeskundige besloten dat de mate van arbeidsongeschiktheid
terecht op 35 tot 45% is gesteld.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In de fase van het hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige, in
reactie op een vraagstelling van de Raad, aan de hand van het naar
aanleiding van de hierna genoemde uitspraken van de Raad van 9 november
2004 inmiddels aangepaste Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS),
een nieuwe CBBS-uitvoer geproduceerd.
Uit het naar aanleiding van deze uitvoer uitgevoerde onderzoek door
bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters kwam naar voren dat een aantal
functies diende te vervallen en dat het noodzakelijk was functies bij te
duiden. Het resultaat van dit onderzoek was een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.
Bij besluit van 9 november 2005 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv
besloten het oorspronkelijke besluit niet te handhaven en aan appellante
een WAO-uitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 55 tot 65%.
Mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen,
overweegt de Raad in de eerste plaats met betrekking tot de algemene
CBBS-aspecten het volgende.
Oordeel inzake de aanpassingen van het CBBS in het licht van de
uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717,
AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722)
In de uitspraken van 9 november 2004 heeft de Raad geoordeeld over
verschillende besluiten waarin de mate van arbeidsongeschiktheid van de
betrokken verzekerde was bepaald met behulp van het zogeheten CBBS, welk
systeem vanaf 1 januari 2002 het Functie Informatie Systeem
(geleidelijk) is gaan vervangen als ondersteunend systeem bij de
beoordeling van aanspraken op een uitkering ingevolge de
arbeidsongeschiktheidswetten.
Hierbij heeft de Raad ook meer in het algemeen een oordeel uitgesproken
inzake het CBBS. In dat verband heeft de Raad, samengevat weergegeven,
in de eerste plaats overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om
een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te
achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. In
het bijzonder geldt dit volgens die uitspraken ook voor de systematiek
waarbij de aanwezigheid en de mate van beperkingen in beginsel worden
bepaald door middel van een vergelijking met zogeheten normaalwaarden
als referentiekader.
De Raad heeft evenwel tevens overwogen dat er een drietal in het oog
springende onvolkomenheden aan het CBBS kleeft. Daaromtrent is
geoordeeld dat dit in beginsel in de weg kan staan aan een nog als
toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en
toetsbaarheid van een met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluit.
In de eerste plaats heeft de Raad erop gewezen dat in de FML, en dus ook
in de kritische FML (kFML), de nummering van de belastbaarheidsaspecten
niet overeenstemt met de nummering van de naar inhoud overeenkomende
items in de lijsten met belastinggegevens van de functies. Als gevolg
hiervan, zo heeft de Raad vastgesteld, is het voor anderen dan
functionarissen van het Uwv niet mogelijk om op een relatief eenvoudige
wijze belastbaarheids- en belastinggegevens met elkaar te vergelijken.
Als tweede onvolkomenheid heeft de Raad aangemerkt dat het CBBS, bij de
weergave van de resultaten van de geautomatiseerde vergelijking door het
systeem van de matchende beoordelingspunten, niet voorziet in enige
signalering, door middel van een asterisk of anderszins, ten teken dat
met een bepaald aspect of met bepaalde aspecten van de functiebelasting
de belastbaarheid van de betrokken verzekerde mogelijk wordt
overschreden. Ook als gevolg hiervan laat het zich, aldus de Raad in
genoemde uitspraken, voor anderen dan functionarissen van het Uwv niet
goed controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale
belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een
betrokkene blijft.
In de derde plaats heeft de Raad overwogen dat als gevolg van de
systematiek van de zogeheten niet-matchende beoordelingspunten, welke in
tegenstelling tot de matchende beoordelingspunten door het
geautomatiseerde systeem niet met elkaar worden vergeleken, het in
beginsel mogelijk is dat functies door het systeem als potentieel
passend worden geselecteerd die dat door overschrijdingen van de
belastbaarheid van de betrokken verzekerde op een of meer van dergelijke
niet-matchende punten mogelijk toch niet zijn. In de definitie van deze
niet-matchende punten ligt immers besloten dat een dergelijke
(mogelijke) overschrijding bij de geautomatiseerde vergelijking door het
CBBS van belastbaarheids- en belastinggegevens niet wordt onderkend en
dus ook niet wordt gesignaleerd, hetgeen in voorkomende gevallen een
extra belemmering vormt voor de justitiabele of de rechter om te
controleren of de betreffende functie door de arbeidsdeskundige terecht
als passend is aangemerkt.
Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 is het
Uwv overgegaan tot het aanbrengen van enkele systeemaanpassingen,
teneinde de hiervoor vermelde onvolkomenheden in het CBBS op structurele
wijze op te heffen.
Als eerste aanpassing heeft het Uwv in een nieuw document Resultaat
Functiebeoordeling (RF) de nummering en de volgorde van de
belastingpunten in de geselecteerde functies in overeenstemming gebracht
met nummering en volgorde van de belastbaarheidsaspecten in de FML.
De Raad is van oordeel dat met deze systeemaanpassing volledig is
tegemoet gekomen aan de door de Raad in zijn uitspraken van 9 november
2004 als eerste kritiekpunt op het CBBS gesignaleerde onvolkomenheid.
Met betrekking tot het ontbreken van signaleringen ten teken van een
mogelijke overschrijding van de belastbaarheid, heeft het Uwv het CBBS
in die zin aangepast dat in het RF onderdelen van de functiebelasting
waarbij zich mogelijk een overschrijding kan voordoen - hetgeen
doorgaans het geval zal zijn indien de betrokken verzekerde door de
verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde
of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt
dan de normaalwaarde - door het systeem automatisch worden voorzien van
een signalering. Daarmee wordt aangegeven dat in beginsel op het
betreffende belastingaspect een nadere motivering van de
arbeidsdeskundige en/of de verzekeringsarts is vereist.
De Raad stelt vast dat met deze aanpassing van het CBBS in voldoende
mate is tegemoet gekomen aan het kritiekpunt van de Raad in zijn
uitspraken van 9 november 2004 betreffende het ontbreken van
signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van
de betrokkene in de functiebelasting. Met de gebruikte signaleringen is
immers voor een ieder kenbaar dat het gaat om een beoordelingspunt ten
aanzien waarvan sprake is van een mogelijke overschrijding van de
belastbaarheid en ten aanzien waarvan derhalve bijzondere oplettendheid
is vereist.
Ook met betrekking tot de door de Raad als derde kritiekpunt
gesignaleerde onvolkomenheid, betreffende de niet-matchende punten,
heeft het Uwv het systeem gewijzigd. Zoals van de zijde van het Uwv is
toegelicht, komen niet-matchende punten voor in een tweetal varianten,
te weten niet-matchende punten in de FML en niet-matchende punten in de
functiebelasting. Bij de eerste variant gaat het om bepaalde
beoordelingspunten in de FML waarvoor geen corresponderend belastingpunt
aan de zijde van de functiebelastinggegevens bestaat, en bij de tweede
soort gaat het om een aantal functiebelastinggegevens die niet voorkomen
in de FML.
De aangebrachte systeemaanpassing bestaat hieruit dat de niet-matchende
punten in de FML ter zake waarvan de verzekeringsarts een beperking van
de normaalwaarde heeft aangegeven, op het RF worden vermeld, voorzien
van een signalering. Relevante, niet-matchende belastingpunten aan de
zijde van de functiebelasting worden eveneens voorzien van een
signalering.
De Raad is van oordeel dat ook hier geldt dat voldoende is tegemoet
gekomen aan de hiervoor weergegeven kritiek van de Raad in zijn
uitspraken van 9 november 2004 dat eventuele overschrijdingen ter zake
van niet-matchende punten, nu deze niet zichtbaar worden gemaakt op de
CBBS-formulieren, voor anderen dan functionarissen van het Uwv verborgen
blijven en dat aldus in voorkomende gevallen sprake is van een extra
belemmering voor de justitiabele en/of de rechter om te controleren of
de betreffende functie door de arbeidsdeskundige terecht als passend is
aangemerkt.
De Raad overweegt voorts dat voor hem, op grond van de beschikbare
gegevens en de van de zijde van het Uwv zowel schriftelijk - de Raad
wijst in dit verband op de brief van 4 mei 2006 waarmee het Uwv in
enkele van de met de onderhavige zaak ter zitting gevoegd behandelde
zaken heeft geantwoord op een aantal door de Raad bij brief van 9 maart
2006 gestelde algemene vragen inzake het aangepaste CBBS - als ter
zitting verstrekte nadere uitleg en toelichting, genoegzaam aannemelijk
is geworden dat het aangepaste CBBS-systeem, zowel bij de matchende als
bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in
geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde alle
onderkent en signaleert.
De Raad wil in dit verband overigens niet nalaten op te merken, onder
verwijzing naar hetgeen dienaangaande ter zitting is besproken, dat van
de zijde van het Uwv is benadrukt - en de Raad sluit zich daarbij aan -
dat voorwaarde daartoe wel is dat de verzekeringsarts de FML op juiste
wijze invult en daarbij in het bijzonder erop toeziet dat een beperking
ook daadwerkelijk als beperking wordt opgenomen en niet wordt
“verstopt” in een toelichting bij een overigens als normaalwaarde
aangegeven score, daar een dergelijke toelichting dan bij
geautomatiseerde vergelijking niet als beperking zal worden herkend en
een mogelijke overschrijding in een functie van de belastbaarheid op een
dergelijk aspect dus niet door het systeem zal worden gesignaleerd.
De Raad komt in het licht van al het vorenoverwogene tot de slotsom dat
met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende
onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in meergenoemde uitspraken
van de Raad van 9 november 2004, in voldoende mate zijn opgeheven.
Motivering ten aanzien van mogelijke overschrijdingen van de
belastbaarheid
Met het Uwv onderkent de Raad drie functies die het CBBS vervult. Het
dient als communicatiemiddel tussen verzekeringsarts en
arbeidsdeskundige en maakt een voorselectie voor de arbeidsdeskundige
van mogelijk als geschikt in aanmerking komende functies. Dit zijn
interne functies van het CBBS.
Daarnaast gebruikt het Uwv de resultaten van het CBBS tevens naar
buiten, als middel om de medische en arbeidskundige beoordeling
inzichtelijk te maken en inzicht te geven in de vaststelling van de mate
van arbeidsongeschiktheid. Daarmee gebruikt het Uwv de resultaten van
het CBBS met het oog op de op hem op grond van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) rustende plicht om zijn besluiten deugdelijk te
motiveren. Bij dat licht overweegt de Raad het volgende.
Het aangepaste CBBS voorziet in de mogelijkheid voor de
arbeidsdeskundige van het Uwv om zelf, dat wil zeggen zonder voorafgaand
nader in overleg te treden met de verzekeringsarts, te beslissen dat met
betrekking tot bepaalde door het systeem bij geautomatiseerde
vergelijking aangebrachte signaleringen een nadere motivering inzake de
passendheid van de betreffende functie op dat beoordelingsaspect of die
beoordelingsaspecten niet nodig is. Dit geldt zowel voor de bij de
zogeheten matchende aspecten gebruikte signalering in de vorm van de
aanduiding M, als de bij niet-matchende aspecten gebruikte signalering
in de vorm van de aanduiding M*.
Uit de verstrekte toelichting blijkt dat het daarbij volgens het Uwv
telkens gaat om punten waarvan op grond van de reeds beschikbare
belastbaarheids- en belastinggegevens voor een ieder, derhalve ook voor
de niet in het systeem ingewijde leek, zonder meer duidelijk is dat de
functie wat betreft de daaraan verbonden belasting binnen de
mogelijkheden van de betrokkene blijft. Het gaat daarbij volgens het Uwv
aldus om “evidente gevallen”, waarin juist vanwege die evidentie een
afzonderlijke motivering inzake de passendheid van de betreffende
functie niet nodig wordt geacht. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door
wijziging door de arbeidsdeskundige van de door het systeem aangebrachte
signalering M in een G.
Deze handelwijze is volgens de daartoe dienende werkinstructie
toegestaan voor de volgende zes gevallen:
a) de verzekeringsarts heeft aangegeven dat de cliënt op het
desbetreffende punt niet beperkt is;
b) de arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de belasting ligt binnen
de mogelijkheden die in een nadere toelichting door de verzekeringsarts
zijn beschreven. Dit kan voorkomen bij een normaalwaarde en bij een
beperking;
c) de arbeidsdeskundige heeft geconstateerd dat de signalering een ander
beoordelingspunt betreft dan het beoordelingspunt waarop de cliënt
beperkt is;
d) de arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de signalering een
incidentele piekbelasting betreft ten opzichte van het door de
verzekeringsarts aangegeven niveau;
e) de arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de signalering een
marginaal hogere belasting betreft ten opzichte van het door de
verzekeringsarts aangegeven niveau;
f) de combinatie van de mate en het tijdsaspect (frequentie of duur) in
de FML en in de functie zijn zodanig dat de functie op het
desbetreffende beoordelingspunt evident geschikt is.
De Raad is van oordeel dat met het oog op een voldoende mate van
inzichtelijkheid en toetsbaarheid voor justitiabelen,
rechtshulpverleners en de rechter van met behulp van het aangepaste CBBS
tot stand gekomen arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, er niet aan zal
kunnen worden ontkomen dat de door het systeem aangebrachte
signaleringen, welke immers erop duiden dat met betrekking tot een
onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting mogelijkerwijs
sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken
verzekerde op dat punt of op die punten, alle worden voorzien van een
afzonderlijke toelichting waaruit kan blijken dat en waarom van een
daadwerkelijke overschrijding (toch) geen sprake is.
Anders dan waarvan het Uwv uitgaat, kan volgens de Raad in zijn
algemeenheid niet staande worden gehouden dat de in de werkinstructie
onder a tot en met f beschreven situaties immer zodanig evident zijn dat
ook voor niet in het CBBS ingewijde buitenstaanders de passendheid van
de betreffende functie zich zonder nadere toelichting steeds op een
relatief eenvoudige wijze zal kunnen laten vaststellen. Voor zodanige
vaststelling is met name in de onder d tot en met f beschreven situaties
een zekere kennis van de uitgangspunten en de achtergronden van het
systeem vereist, in het bijzonder van de als referentiekader geldende
normaalwaarden en van bedoelde werkinstructie.
Bovenstaande betekent dat de Raad zich niet kan verenigen met de bij de
onderhavige systeemaanpassing voor de arbeidsdeskundige gecreëerde
mogelijkheid om in de onder a tot en met f aangegeven situaties zonder
voorafgaand overleg met de verzekeringsarts en zonder nadere motivering
de door het systeem aangebrachte signaleringen M om te zetten in een G.
Alle door het systeem aangebrachte signaleringen dienen, naar reeds
hiervoor is overwogen, van een afzonderlijke toelichting te worden
voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk
van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met
de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn.
Overigens zal een motivering niet in alle gevallen steeds even uitvoerig
behoeven te zijn. In voorkomende gevallen, met name in de hiervoor onder
a, b en c beschreven situaties, zal veelal kunnen worden volstaan met
een relatief korte toelichting.
Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, voegt de Raad aan het
vorenoverwogene nog toe dat een behoefte aan een nadere motivering van
de passendheid van een functie zich ook zeer wel zal kunnen voordoen los
van de kwestie van het omzetten van de signalering M in een G. De Raad
merkt in dit verband op, naar ook expliciet van de zijde van het Uwv is
aangegeven, dat zelfs indien ieder afzonderlijk belastingpunt van een
functie blijft binnen de grenzen van de ter zake voor betrokkene
toegestane belastbaarheid, de totaalbelasting van de functie in relatie
tot de belastbaarheidsgegevens zodanig kan zijn dat deze vragen oproept
inzake de passendheid van de functie voor de betrokken verzekerde, en
zelfs tot de conclusie kan voeren dat de betreffende functie medisch
ongeschikt is. In dit verband is van de zijde van het Uwv benadrukt - en de Raad acht dit juist - dat het CBBS uiteindelijk niet meer is dan
een hulpmiddel bij de selectie van passende functies door de
arbeidsdeskundige en dat het de arbeidsdeskundige is die, zonodig na
overleg met de verzekeringsarts, steeds - toereikend gemotiveerd - tot een eindoordeel moet komen.
Oordeel over besluit 1
Met het nemen van besluit 2 moet het Uwv naar het oordeel van de Raad
worden geacht besluit 1 te hebben ingetrokken. Nu van de zijde van
appellante is aangegeven dat besluit 2 niet geheel aan haar beroep tegen
besluit 1 tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid,
en 6:24, eerste lid, van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht
tegen besluit 2.
Nu bij de behandeling van het hoger beroep van geen ander belang bij de
beoordeling van besluit 1 is gebleken dan van vergoeding van
griffierecht en proceskosten, dient het hoger beroep tegen de
aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Oordeel over besluit 2
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij als
gevolg van haar chronische vermoeidheidsklachten in het geheel niet in
staat is tot het verrichten van loonvormende werkzaamheden.
Anders dan appellante is de Raad met de rechtbank van oordeel dat geen
twijfel bestaat over de medische beoordeling van de zijde van het Uwv.
De Raad kan de rechtbank volledig volgen wat deze dienaangaande heeft
overwogen en heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden voor de
aanname dat appellante in objectief-medische zin ernstiger beperkingen
uit hoofde van ziekte of gebreken had dan die het Uwv bij zijn
besluitvorming reeds tot uitgangspunt heeft genomen.
Ten aanzien van de arbeidskundige kant merkt de Raad op dat de
bezwaararbeidsdeskundige Peters in de RF weliswaar enkele signaleringen
M in G veranderd heeft, maar dat hij vervolgens desondanks in zijn
rapport van 7 november 2005 hieromtrent een uitvoerige motivering geeft
met betrekking tot de passendheid van de functies binnen de functionele
mogelijkheden van appellante.
Van de zijde van het Uwv is naar het oordeel van de Raad hiermee
afdoende toegelicht waarom de geduide werkzaamheden door appellante
kunnen worden vervuld.
Dat betekent dat het beroep tegen besluit 2 niet slaagt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht
tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en
hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van €
140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van de Vos als voorzitter en J.W.
Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12
oktober 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|