|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3653 WAO en 04/3654 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 mei 2004, 03/502 en
04/166 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
I. [naam BV] en
II. appellante enerzijds
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv) anderzijds.
Datum uitspraak: 6 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Burger, advocaat te Utrecht, hoger beroep
ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006.
Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Vaessen,
kantoorgenoot van mr. Burger. Voor het Uwv is verschenen mr. W.J. Belder.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide
weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden
volstaat de Raad met het volgende.
Appellante was sedert 1968 voltijds werkzaam bij [naam BV] te
[vestigingsplaats], laatstelijk op de onderdelenverkoopadministratie,
toen zij op 6 december 1999 uitviel met geleidelijk toegenomen
linkerschouder- en nekklachten. Nadat zij had hervat in eigen werk
gedurende 20 uur per week en nadat de verzekeringsarts als diagnose had
gesteld ”1. RSI nek en linkerschouder 2. Status na Dotterbehandeling
in ’86/coronairsclerose” en wat het eigen werk betreft een beperking
tot en met 20 uur per week en wat passend ander werk geen urenbeperking
had gesteld, is aan appellante bij besluit van 20 oktober 2000 per 4 december 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% een
WAO-uitkering toegekend.
Bij besluit van 11 juli 2001 is die uitkering per 1 augustus 2001
ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid per
laatstgenoemde datum minder dan 15% bedraagt.
Bij besluit van 21 november 2001 is het bezwaar van appellante tegen dat
intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit op bezwaar heeft appellante geen beroep ingesteld,
zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
Bij brief van 18 maart 2002 heeft [naam BV] appellante per die datum
gedeeltelijk arbeidsongeschikt gemeld, omdat bij evaluatie van de sedert
10 december 2001 ondernomen pogingen om haar werktijd van 20 uur per
week telkens met een half uur per week op te hogen is gebleken dat een
gemiddelde werktijd van 22 - 24 per week in het eigen werk voor haar het
hoogst haalbare is en ook per 18 maart 2002 is ingegaan, en verzocht aan
haar met toepassing van de Wet Amber een WAO-uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 24 december 2003 is ongegrond verklaard het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 29 mei 2002 tot afwijzing van dat
verzoek onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per
18 maart 2002 en na vier weken per 15 april 2002 niet is toegenomen
sedert 1 augustus 2001.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit op bezwaar van 24 december 2003 ongegrond
verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat
in het te dezen van toepassing zijnde kader van artikel 43a, eerste lid,
van de WAO niet is gebleken van toename van medische beperkingen op 18
maart 2002 ten opzichte van de situatie op 1 augustus 2001, zodat aan
beoordeling van arbeidskundige aspecten niet meer wordt toegekomen.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd (en zich daartoe beperkt)
dat er wel degelijk sprake is van uit dezelfde ziekteoorzaak (als ter
zake waarvan eerder per 4 december 2000 een WAO-uitkering is toegekend)
voortgekomen toename van medische beperkingen in de desbetreffende
periode, mede gelet op de door de reumatoloog Heurkens bij onderzoek op 23 juni 2003 vastgestelde ”artrose kleine handgewrichten”. Na 1
augustus 2001 heeft appellante geprobeerd geleidelijk het aantal uren op
te voeren boven de 20 gedurende welke zij per week werkzaam was in haar
eigen functie, die vrijwel geheel uit beeldschermwerk bestaat, maar in
de praktijk is gebleken dat als gevolg van in de ernst toenemende
klachten meer dan 22 à 24 uur per week niet haalbaar is. Ter
ondersteuning van deze stelling heeft appellante tevens gewezen op de
bevindingen van de bedrijfsarts De Wit, de gegevens van haar huisarts
Vermeulen en de (overige) conclusies van de reumatoloog Heurkens alsook
het rapport van het door het Actie Diagnostisch Assessment Centrum (ADAC)
op 22 februari 2002 verrichte fysiek functioneel
belastbaarheidsonderzoek met behulp van de Ergos-werksimulator en de
brief van ”de Beweging”, Sportcentrum van de Universiteit van
Amsterdam, van 26 februari 2004.
De Raad overweegt als volgt.
Dat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar
van 21 november 2001, waardoor dat besluit in rechte onaantastbaar is
geworden, is een niet te miskennen gegeven dat van invloed is op de
beoordeling van het verzoek van [naam BV] van 18 maart 2002. Hetgeen in
de thans aanhangige procedure is aangevoerd, is namelijk in wezen
gericht tegen dat besluit. Wat in de thans aanhangige procedure slechts
relevant kan en mag zijn is of - en alsdan in hoeverre - de medische
situatie waarin appellante objectief bezien op 18 maart 2002 verkeerde,
in relevante mate was verslechterd ten opzichte van de medische situatie
waarin zij op 1 augustus 2001 verkeerde.
Evenmin als de rechtbank heeft de Raad in de voorhanden gedingstukken
objectief medische aanknopingspunten kunnen vinden om appellante te
kunnen volgen in haar standpunt dat van een zodanige verslechtering
sprake was.
Daarbij tekent de Raad aan dat een toename van reeds eerder bekende
klachten over pijn in de nek, schouders, rug, armen en handen niet
zonder meer betekent dat de te dien aanzien vastgestelde medische
beperkingen zijn toegenomen.
Voorts ontbreken naar het oordeel van de Raad aanwijzingen voor het
reeds op 18 maart 2002 bestaan van beperkingen als gevolg van
handartrose (daargelaten of uit handartrose voortvloeiende beperkingen
dezelfde oorzaak hebben als de beperkingen ter zake waarvan tot 1
augustus 2001 een WAO-uitkering toegekend is geweest, te weten RSI/fibromyalgie).
Uit de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Joosten van 16 januari
2003 en 18 december 2003 volgt dat appellante in het kader van het
bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2001 tot intrekking van de
WAO-uitkering per 1 augustus 2001 op 6 november 2001 is onderzocht door de
bezwaarverzekeringsarts Verheijen, welk onderzoek heeft uitgewezen dat
op dat moment de vingers een normaal aspect vertoonden en normaal
functioneel waren, terwijl uit radiologisch onderzoek van de hand op 26
juli 2002 wel blijkt van normale botstructuren en een minimale
gewrichtsspleetversmalling MCP-4 links, doch verder niet van
degeneratieve afwijkingen. Eerst bij onderzoek op 23 juni 2003, dus na
18 maart 2002 en niet alsnog per 18 maart 2002, heeft de reumatoloog
Heurkens artrose aan de kleine handgewrichten vastgesteld op grond van
de aanwezigheid van noduli van Heberden en Bouchard aan de DIP-
respectievelijk PIP-gewrichten, wat bekende klinische symptomen zijn die
wijzen op artrose (ongeacht de uitslag van de röntgenfoto), waarmee -
zoals gezegd - evenwel nog niet is vastgesteld dat en alsdan in hoeverre
er sprake is van beperkingen.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de
aangevallen uitspraak (voorzover aangevallen) moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevallen.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H.
Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6
oktober 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
|
|