|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4780 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2004,
04/270 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. M. Verbraaken-Vooys,
advocaat te ’s-Gravenhage.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006.
Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Verbraaken -
Vooys. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit op bezwaar van 10 december 2003 is ongegrond verklaard het
bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 september 2002 waarbij
de mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer waarnaar haar
laatstelijk een WAO-uitkering is toegekend, per 25 november 2002 is
herzien en nader vastgesteld naar een mate van 25-35%.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen dat
besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank
overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel
dat het Uwv is uitgegaan van onjuiste medische beperkingen. Daarbij
heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Appellante is lichamelijk onderzocht door de verzekeringsarts die tevens
inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend sector. De door de
appellante behandelend psychiater R.W. Jessurun alsnog verstrekte
gegevens hebben de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven de door hem
op 4 september 2002 getrokken conclusies en de door hem opgestelde
functionele mogelijkhedenlijst (FML) te wijzigen. Bij de FML is rekening
gehouden met de rugklachten van appellante en zijn beperkingen
aangenomen ten aanzien van psychisch belastende factoren als tijdsdruk,
conflicthantering en verantwoordelijkheid. Appellante is in de
bezwaarfase, op 5 juni 2003, eveneens onderzocht door de
bezwaarverzekeringsarts die in zijn bevindingen noch in de van de
appellante behandelend internist G.G. van Essen verkregen inlichtingen
aanleiding heeft gevonden tot aanscherping van de FML. Dusdoende zijn
voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over
de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen.
De door appellante in beroep overgelegde medische stukken hebben de
rechtbank niet doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de
beide verzekeringsartsen.
Het inwinnen van een medisch deskundigenadvies is niet nodig.
Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank
overwogen dat de drie functies waarop de schatting is gebaseerd de
grenzen van de FML niet overschrijden, dat ten aanzien van de
markeringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de
belastbaarheid) afdoende is gemotiveerd waarom er geen sprake is van
overschrijding van de belastbaarheid ten tijde in geding en dat niet is
gebleken van relativering van de belasting van de functies.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij ten tijde in geding
medisch gezien, fysiek en psychisch, volledig arbeidsongeschikt was.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op diverse
door de haar sedert 1997 wegens een recidiverend chronisch depressief
toestandsbeeld behandelend psychiater Jessurun afgegeven verklaringen
alsook de tot de gedingstukken behorende verklaringen van de neuroloog
dr. R.W.M. Keunen, de internist Van Essen en haar huisarts W.H. Bharos,
uit welke verklaringen is af te leiden dat haar fysieke en psychische
toestand in toenemende mate is verslechterd.
Onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de
bezwaararbeidsdeskundige, waarin wordt ingegaan op de door appellante
overgelegde medische verklaringen respectievelijk het door haar
ingenomen standpunt wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft,
heeft het Uwv bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
De Raad kan zich in de aangevallen uitspraak vinden.
Naar het oordeel van de Raad kan niet worden staande gehouden dat er
sprake is van onzorgvuldig, ondeugdelijk of anderszins onjuist medisch
onderzoek vanwege het Uwv en evenmin dat appellante per 25 november 2002
in medisch opzicht minder mogelijkheden had dan door de verzekeringsarts
op 4 september 2002 is vastgelegd in de FML. De Raad acht hetgeen
appellante in verschillende stadia van de procedure heeft aangevoerd
afdoende weerlegd door de bezwaarverzekeringsarts die dan ook geen
aanleiding heeft gezien de FML aan te scherpen. Daarbij betrekt de Raad
dat appellante weliswaar in de loop van de procedure melding heeft
gemaakt van in omvang en ernst toegenomen en toenemende klachten en
beperkingen, maar dat te dezen de situatie op de datum in geding - 25
november 2002 - bepalend is, wat uiteraard niet wegneemt de mogelijkheid
om op grond van na die datum beschikbaar gekomen stukken en ingestelde
onderzoeken conclusies te trekken met betrekking tot de medische
situatie op die datum. De appellante rakende gebeurtenissen die zich na
de datum in geding hebben voorgedaan kunnen, hoe ingrijpend ook, dus
evenmin als de gevolgen daarvan voor appellante, in de thans aanhangige
procedure in beschouwing worden genomen. In de door appellante ter
ondersteuning van haar standpunt dat zij reeds in medisch opzicht
volledig arbeidsongeschikt is, overgelegde stukken wordt dat onderscheid
niet steeds goed gemaakt. Hetgeen appellante heeft verklaard over wat
zij nog wel en niet meer kan, is in de loop van de procedure steeds meer
gaan afwijken van wat zij aanvankelijk heeft verklaard.
De drie in de loop van de procedure door de haar behandelend psychiater
Jessurun afgelegde verklaringen - waarvan de eerste dateert van 16
september 2002, dus van voor de datum in geding - liggen niet met elkaar
in lijn en sporen ook niet met de verklaring van de huisarts van 25
oktober 2002, nu daarin in het geheel geen melding wordt gemaakt van
psychische klachten. De aan de gemachtigde van appellante gerichte
verklaring van Jessurun van 26 november 2002 is dezelfde als diens aan
de verzekeringsarts gerichte verklaring van 16 september 2002, behoudens
het laatste onderdeel ”Conclusie en beantwoording van de vragen”; in
die laatste, na het primaire besluit afgegeven verklaring schetst
Jessurun een aanmerkelijk ernstiger beeld dan in die eerste.
De verklaringen van Jessurun hebben de Raad dan ook niet kunnen
overtuigen wat de situatie ten tijde in geding betreft.
De door appellante in beroep overgelegde verklaring van de neuroloog
Keunen dateert van 15 augustus 2003 en is gebaseerd op poliklinisch
onderzoek dat op 16 maart 2003 heeft plaatsgevonden waarbij ook hetgeen
appellante toentertijd heeft verklaard over wat zij heeft meegemaakt en
(subjectief) ervaren heeft, is meegewogen. Die verklaring kan, ook al
vanwege hetgeen appellante tussentijds is overkomen, niet maatgevend
worden geacht voor de situatie ten tijde in geding.
De Raad acht onder de gegeven omstandigheden een nader medisch onderzoek
door een onafhankelijke deskundige nodig noch geïndiceerd.
Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft kan, uitgaande van de FML
zoals die door de verzekeringsarts op 4 september 2002 is vastgesteld en
sedertdien niet is aangescherpt, niet worden staande gehouden dat
appellante ten tijde in geding niet in staat was tot het vervullen van
de aan haar voorgehouden functies waarop de schatting is gebaseerd.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een
proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H.
Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 29 september 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) P.H. Broier.
|
|