|
Uitspraak
00/1238
WAZ en 01/1691 WAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluit van 5 januari 1999 heeft appellant met toepassing van
artikel 26a, eerste lid, onder d, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) de aan gedaagde toegekende uitkering
ingevolge de AAW, die werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari 1997
ingetrokken.
Bij besluit van 13 januari 1999 heeft appellant met toepassing van
artikel 48, eerste lid, van de AAW van gedaagde een bedrag ad f
21.751,86 teruggevorderd terzake van over de periode van 1 januari 1997
tot en met 30 juni 1998 aan gedaagde onverschuldigd betaalde uitkering
krachtens de AAW.
Bij besluit van 8 juli 1999 heeft appellant de bezwaren van gedaagde
tegen de besluiten van 5 januari 1999 en 13 januari 1999 ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft bij uitspraak van 10
februari 2000 gedaagdes beroep tegen het besluit van appellant van 8
juli 1999 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd; een en ander met
bepalingen over proceskosten en griffierecht.
Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagde heeft mr. R.J. Leijssen, advocaat te Enschede,
een verweerschrift ingezonden.
Namens gedaagde is op 16 november 2000 een brief aan de Raad gezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 14 maart 2001,
waar appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. H.A.G. Rasterhoff, werkzaam bij SFB
Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V., en waar gedaagde in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Leijssen.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere
weergave van de hier van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met
vermelding van het volgende.
Appellant heeft bij zijn besluit van 5 januari 1999 de aan gedaagde
toegekende uitkering krachtens de AAW per 1 januari 1997 ingetrokken
omdat, nu gedaagde ondanks herhaald verzoek in gebreke was gebleven de
jaarstukken over 1997 in te zenden, niet kon worden vastgesteld of er
nog recht op uitkering bestond.
Op 13 januari 1999 heeft appellant beslist van gedaagde terug te
vorderen hetgeen aan gedaagde over de periode van 1 januari 1997 tot en
met 30 juni 1998 onverschuldigd aan uitkering krachtens de AAW was
betaald.
Bij zijn besluit van 8 juli 1999 heeft appellant gedaagdes bezwaar tegen
het besluit van 5 januari 1999 ongegrond verklaard onder overweging dat
uit dossieronderzoek niet was gebleken dat - zoals namens gedaagde was
gesteld - voor het insturen van de jaarstukken over 1997 uitstel was
gevraagd. Bij dat besluit heeft appellant tevens gedaagdes bezwaar tegen
het besluit van 13 januari 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het besluit van appellant van 8 juli 1999 vernietigd.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant bij het nemen van het
besluit van 8 juli 1999 heeft miskend dat zich op dat moment geen
situatie meer voordeed als bedoeld in artikel 26a, eerste lid, onder d,
van de AAW. Verder heeft de rechtbank als haar zienswijze te kennen
gegeven dat appellant ten onrechte toepassing had gegeven aan zijn in
het Besluit herziening en intrekking uitkeringen neergelegde beleid.
Appellant kan zich met evenbedoeld oordeel van de rechtbank niet
verenigen. Hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd strekt tot
vernietiging van de aangevallen uitspraak en tot alsnog
ongegrondverklaring van het beroep van gedaagde tegen het besluit van 8
juli 1999.
De Raad overweegt het volgende.
Appellant heeft zijn besluit van 8 juli 1999 om gedaagdes uitkering
krachtens de AAW met ingang van 1 januari 1997 in te trekken gebaseerd
op artikel 26a, eerste lid, onder d, van de AAW. Artikel 26a van de AAW
is bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid per 1 augustus 1996 in de AAW opgenomen.
Voorzover hier van belang bepaalt artikel 26a, eerste lid, onder d, van
de AAW dat, onverminderd het elders in de AAW terzake van herziening of
intrekking van een besluit tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde, appellant een dergelijk
besluit herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen
van een verplichting op grond van artikel 16, 19 of 78 ertoe leidt dat
niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
Mede in aanmerking genomen hetgeen over artikel 26a van de AAW en
onderdeel d van het eerste lid daarvan is vermeld in de memorie van toelichting van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid, stelt de Raad vast dat appellant op grond van
evenbedoelde bepaling de aanspraak op uitkering - niet alleen vanaf de
datum van eerste toekenning, maar ook vanaf een latere datum - dient te
herzien of in te trekken wanneer zich de in onderdeel d genoemde
omstandigheid voordoet en dat die bepaling niet strekt tot sanctionering
van schending van de in dat onderdeel vermelde artikelen 16, 19 of 78.
Nu het hier gaat om een correctieve vaststelling van gedaagdes aanspraak
op uitkering krachtens de AAW per 1 januari 1997 en de per 1 januari
1998 in werking getreden Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen, voorzover hier van belang, geen van de
regel van onmiddellijke werking van wetgeving afwijkend voorschrift
bevat, stelt de Raad, onder verwijzing naar zijn bestendige
jurisprudentie (onder meer blijkend uit zijn uitspraak gepubliceerd in
USZ 1997/45), vast dat de hier aan de orde zijnde aanspraak van gedaagde
op uitkering krachtens de AAW per 1 januari 1997 moet worden beoordeeld
aan de hand van artikel 26a, eerste lid, onder d, van de AAW en niet -
zoals van de zijde van appellant geopperd - aan de hand van het per 1
januari 1998 in werking getreden - met artikel 26a, eerste lid, onder d,
van de AAW geheel overeenkomende - artikel 18, eerste lid, onder d, van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Aan het
vorenstaande doet naar het oordeel van de Raad niet af dat de hier aan
de orde zijnde nadere vaststelling heeft plaatsgevonden met
terugwerkende kracht en dat de reden daarvoor is gevonden in na 1
januari 1998 geconstateerde nalatigheden aan de zijde van gedaagde.
De Raad ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of appellant zich
terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aan gedaagde toegekende
uitkering krachtens de AAW per 1 januari 1997 dient te worden
ingetrokken, omdat niet kan worden vastgesteld of voor gedaagde op die
datum nog recht op uitkering bestond omdat hij een verplichting op grond
van artikel 16, 19 of 78 niet of niet behoorlijk was nagekomen.
Waar gedaagde naar het oordeel van de Raad niet heeft aangetoond, noch
aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor het indienen van de jaarstukken
over 1997 uitstel heeft gevraagd en verkregen, moet worden vastgesteld
dat gedaagde de jaarstukken over 1997 eerst op 19 januari 1999 aan
appellant heeft doen toekomen. Appellant was derhalve op 19 januari
1999, nog vσσrdat hij zijn beslissing op bezwaar had genomen, in staat
vast te stellen of voor gedaagde per 1 januari 1997 nog recht op
uitkering ingevolge de AAW bestond.
Anders dan appellant ziet de Raad geen beletsel om deze tijdens de
bezwaarprocedure verstrekte gegevens bij de heroverweging van het
besluit van 5 januari 1999 te betrekken. In aanmerking genomen dat het
hier gaat om de vraag of gedaagdes aanspraak op uitkering krachtens de
AAW per 1 januari 1997 al dan niet kan worden vastgesteld - en niet om
het verbinden van consequenties aan het niet of niet behoorlijk
vervullen van een verplichting als bedoeld in de artikelen 16, 19 of 78
van de AAW - staat naar het oordeel van de Raad niets eraan in de weg om
de op 19 januari 1999 aangeleverde jaarstukken over 1997, als alsnog
aangevoerde feiten die een nader licht werpen op de per de datum hier in
geding vast te stellen aanspraak, bij de (her)beoordeling te betrekken.
De door appellant in dit kader vermelde jurisprudentie van de Raad,
gepubliceerd in AB 1997/238 en RSV 1999/313, doet naar het oordeel van
de Raad in het onderhavige geval geen opgeld omdat de aldaar besliste
gevallen betrekking hebben op wijzigingen van omstandigheden die niet
aan de in geding zijnde datum dan wel het te beoordelen tijdvak waren te
relateren. De Raad tekent overigens nog aan dat een en ander onverlet
laat dat door appellant vanwege het niet tijdig aanleveren van de
gevraagde gegevens wordt overgegaan tot het opleggen van een maatregel
of boete.
Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 8 juli 1999 voorzover
daarbij de intrekking van gedaagdes uitkering ingevolge de AAW is
gehandhaafd niet in stand kan worden gelaten, omdat dat besluit een
juiste feitelijke grondslag ontbeert. Dit betekent dat ook van het bij
besluit van 8 juli 1999 gehandhaafde terugvorderingsbesluit moet worden
vastgesteld dat het op een ontoereikende grondslag berust.
Een en ander leidt tot de conclusie dat het besluit van 8 juli 1999 door
de rechtbank terecht niet in stand is gelaten. De aangevallen uitspraak
komt derhalve voor bevestiging in aanmerking, zij het dat tevens dient
te worden bepaald dat appellant alsnog een besluit neemt op de bezwaren
van gedaagde tegen de besluiten van 5 januari 1999 en 13 januari 1999,
zulks met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om appellant te
veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,-- aan kosten
wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant opnieuw beslist op de bezwaren van gedaagde tegen
de besluiten van 5 januari 1999 en 13 januari 1999 met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6
juni 2001.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) J.W.P.
van der Hoeven.
|
|