|
Uitspraak
99/4871
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[A.], gedaagde, wonende te [B.].
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 augustus 1998 heeft appellant de uitkering van
gedaagde ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 28 juli 1998
ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellant ingaande die datum was afgenomen naar minder dan 25%.
Bij besluit van 3 december 1998 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 3 augustus
1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard
en dat besluit vernietigd, met de opdracht aan appellant tot het nemen
van een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak en onder
aanvullende beslissingen inzake proceskosten en griffierecht.
Appellant heeft bij beroepschrift van 16 september 1999 tegen die
uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft mr. L.E. de Geer, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse
Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam, bij schrijven
van 24 juni 1999, met bijlagen, van verweer gediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 1 mei 2001, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 3 december 1998 in
rechte stand kan houden. Het bezwaar van gedaagde richt zich uitsluitend
op de vaststelling door appellant van het maatmaninkomen. Naar het
oordeel van gedaagde is appellant daarbij ten onrechte uitgegaan van de
fiscale winst over de drie jaren voorafgaande aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid.
De Raad stelt vast dat gedaagde evenvermelde grief ook reeds had
aangevoerd in beroep tegen een eerder besluit van appellant, d.d. 23
juli 1996, strekkende tot het toepassen van een korting op gedaagdes
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met
ingang van 30 juli 1996. In het kader van die beroepsprocedure heeft de
rechtbank te Breda bij uitspraak van 9 september 1997 als haar oordeel
uitgesproken dat het standpunt van appellant inzake het in aanmerking te
nemen maatgevende inkomen op onvoldoende onderzoek berust en niet
toereikend is gemotiveerd.
De Raad heeft bij uitspraak van 18 april 2000, 97/10478 AAW, dit oordeel
van de rechtbank niet gevolgd, en geoordeeld dat de wijze van
vaststelling van het maatmaninkomen door appellant juist is te achten.
De Raad heeft daarbij, kort weergegeven, overwogen dat in de door
gedaagde naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding kan worden
gevonden om af te wijken van de hoofdregel om bij de bepaling van het
maatmaninkomen van een zelfstandige, voor de gevallen waarin dat
praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt te nemen de door de
fiscus aanvaarde winst over de drie boekjaren voorafgaande aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in identieke zin beslist
als in haar eerdere uitspraak van 9 september 1997. De Raad volstaat
daarom verder met een verwijzing naar zijn hiervoor vermelde uitspraak
van 18 april 2000, waaraan de Raad volledigheidshalve nog toevoegt dat
er geen aanleiding bestaat om in het kader van de WAZ de vaststelling
van het maatmaninkomen van een zelfstandige anders te benaderen dan in
het kader van de AAW. Uit het in genoemde uitspraak overwogene volgt dat
het onderhavige hoger beroep van appellant doel treft en dat het
bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak
komt voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.
Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2001.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|