|
Uitspraak
00/2362
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 9 februari 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 20 augustus 1998, waarbij is geweigerd appellant
met ingang van 13 december 1998 in aanmerking te brengen voor een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 15 maart
2000 appellants beroep tegen het besluit van 9 februari 1999 ongegrond
verklaard.
Namens appellant heeft mr. J.M. Koster, jurist-fiscaal
jurist-verzekeringsdeskundige te Den Helder, tegen deze uitspraak hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift alsmede een aanvulling daarop
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 oktober 2001,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.
Koster, en waar gedaagde zich, zoals aangekondigd, niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde
terecht en op goede gronden appellant met ingang van 13 december 1998
uitkering krachtens de WAZ heeft geweigerd. Zij heeft daartoe de
juistheid onderschreven van het aan het besluit van 9 februari 1999 ten
grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door de
verzekeringsarts G.F.A.F. Slooff ten aanzien van hem vastgestelde
medische beperkingen, per 13 december 1998 in staat moest worden geacht
met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat
geen relevant verlies aan verdiencapaciteit resteerde.
In hoger beroep zijn namens appellant uitsluitend bezwaren van
arbeidskundige aard naar voren gebracht.
De Raad overweegt het volgende.
Vooropgesteld wordt dat voor de vraag of sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 2 van de WAZ - kort gezegd -
moet worden beoordeeld in hoeverre de verzekerde als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte niet meer in staat
is om met algemeen geaccepteerde, voor zijn krachten en bekwaamheden
berekende arbeid te verdienen wat hij voor het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid verdiende.
Appellants meest verstrekkende grief, inhoudende dat met de invoering
van de WAZ een geheel eigenstandig, van de Algemene
arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ten aanzien van zelfstandigen afwijkend
beoordelingsregiem van kracht is geworden, deelt de Raad niet. De Raad
tekent hierbij aan dat het arbeidsongeschiktheidsbegrip neergelegd in
artikel 2 van de WAZ - behoudens de hier niet relevante bepaling
betreffende vroeggehandicapten - overeenkomt met dat van artikel 5 van
de AAW en dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 2 van de WAZ niet
blijkt dat is beoogd op dit punt dan wel wat betreft de wijze waarop de
mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld enige wijziging aan te
brengen. Naar het oordeel van de Raad is hiermee tevens gegeven dat de
rechtspraak over de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van zelfstandigen
zoals die naar aanleiding van het per 1 augustus 1993 in werking
getreden artikel 5 van de AAW is gevormd, voor de toepassing van artikel
2 van de WAZ evenzeer relevant is te achten.
Tegen de achtergrond van het voorgaande en onder verwijzing naar zijn
uitspraak gepubliceerd in RSV 1997/26 overweegt de Raad voorts dat hij
appellant niet kan volgen in zijn opvatting dat de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet kon en mocht plaatsvinden op
functies in loondienst.
De Raad is voorts evenmin als de rechtbank tot de overtuiging kunnen
komen dat de aan appellant voorgehouden loondienstfuncties ten onrechte
zijn aangemerkt als algemeen gangbare, voor appellants krachten en
bekwaamheden berekende arbeid.
Naar aanleiding van appellants kanttekeningen bij de betrouwbaarheid van
het door gedaagde gehanteerde functie-informatiesysteem (FIS) merkt de
Raad in de eerste plaats op dat hij geen aanleiding heeft gevonden om af
te wijken van zijn uit eerdere rechtspraak, onder meer de uitspraken
gepubliceerd in USZ 97/47, USZ 97/227 en USZ 2000/212, blijkende
zienswijze dat behoudens gevallen waarin duidelijke aanwijzingen zijn
voor het tegendeel, wordt uitgegaan van de juistheid van de in het FIS
vermelde gegevens. Nu appellant heeft volstaan met het te berde brengen
van algemene kanttekeningen bij de toepassing van het betrokken systeem,
ziet de Raad geen grond om in het onderhavige geval te twijfelen aan de
juistheid van de aan het FIS ontleende gegevens voor de aan appellant
voorgehouden functies.
Appellants stelling dat de hem voorgehouden functies niet voor zijn
krachten en bekwaamheden zijn berekend deelt de Raad evenmin. Voorzover
appellant heeft gesteld dat de functies monteur, monteur koffiezetters,
telefonist/receptionist en verkooptelefonist niet voldoen aan de door
de verzekeringsgeneeskundige G.F.A.F. Slooff vastgestelde belastbaarheid
wat betreft zitten, staan en lopen, merkt de Raad op dat de betrokken
functies op die aspecten geen overschrijdingen kennen, zodat ervan moet
worden uitgegaan dat het vervullen van die functies in overeenstemming
is met appellants fysieke mogelijkheden.
Appellants opvatting dat de functies hem niet hadden mogen worden
voorgehouden omdat het gaat om binnen te verrichten werkzaamheden,
terwijl appellant steeds als zelfstandig palingvisser buiten arbeid
heeft verricht, deelt de Raad evenmin. Het begrip bekwaamheden, waarop
dit onderdeel van het beroep van appellant ziet, heeft - zoals ook
blijkt uit de uitspraak van de Raad gepubliceerd in USZ 2000/209 -
blijkens de memorie van toelichting bij artikel 5, vijfde lid, van de
AAW, waaraan dat begrip is ontleend, immers geen betrekking op bij een
verzekerde bestaande affiniteiten, maar op eisen die werkgevers aan een
persoon stellen om in aanmerking te komen voor een arbeidsplaats.
Wat betreft appellants stelling dat bij
arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen vaker dezelfde functies terugkomen
en dat de kans op het daadwerkelijk verwerven van die functies minimaal
is, overweegt de Raad dat het hier gaat om een zogeheten theoretische
schatting en dat daarbij geen beslissende betekenis toekomt aan het
antwoord op de vraag of de verzekerde erin zal slagen in de voorgehouden
functies daadwerkelijk een dienstverband te verwerven.
Appellants bezwaar tegen het bij de functies vermelde opleidingsniveau
acht de Raad evenmin overtuigend. Voor de Raad staat voldoende vast dat
het scholingsniveau van appellant tenminste op 2 kan worden gesteld. De
Raad tekent hierbij aan dat daarvoor, anders dan appellant stelt, niet
geldt dat sprake moet zijn van enkele jaren vervolgonderwijs naast een
getuigschrift basisschool, maar slechts basisschool en eventueel enkele
jaren vervolgonderwijs. De Raad is voorts van oordeel dat, gelet ook op
appellants jarenlange ervaring als zelfstandig palingvisser, niet kan
worden gezegd dat het functieniveau van de voorgehouden functies te hoog
is. Hij merkt hierbij op dat het hoogst vermelde niveau 3 betekent dat
in de functie problemen kunnen voorkomen, maar dat die problemen van
praktische aard blijven en dat voor de oplossing daarvan naast
werkroutine enige inventiviteit is vereist.
Nu uit het voorgaande volgt dat de door gedaagde aan appellant
voorgehouden functies bij de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling konden en mochten worden betrokken,
resteert de vraag of het verlies aan verdienvermogen juist is
vastgesteld.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Gedaagde heeft het
maatmaninkomen van appellant naar het oordeel van de Raad correct
berekend. Tegen de achtergrond van de vaste jurisprudentie van de Raad -
onder meer de uitspraak van de Raad gepubliceerd in RSV 1993/298 - dat
bij de berekening van het maatmaninkomen in beginsel wordt uitgegaan van
de fiscale gegevens zoals die er gelet op de door de verzekerde in het
kader van zijn bedrijfsvoering gemaakte keuzen uitzien, acht de Raad
geen ruimte aanwezig om - zoals appellant wenst - bij de vaststelling
van het maatmaninkomen voorbij te gaan aan zijn keuze om met zijn
echtgenote een vennootschap onder firma aan te gaan. Anders dan
appellant ziet de Raad niet dat door belangrijke betekenis toe te kennen
aan de door de zelfstandige zelf gemaakte fiscaal relevante keuzen,
strijd met het gelijkheidsbeginsel ontstaat.
Wat betreft de vaststelling van de hoogte van het maatmaninkomen wijst
de Raad erop dat daarbij - blijkens vaste rechtspraak - wordt uitgegaan
van de netto fiscale winst en dat daarbij de door appellant vermelde
fiscale faciliteiten buiten beschouwing blijven. Appellants grief op dit
punt onderschrijft de Raad dan ook evenmin.
Naar aanleiding van appellants bezwaren tegen de betekenis die bij de
bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid toekomt aan de hoogte van
de voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid gerealiseerde winst,
merkt de Raad nog op dat die betekenis ligt besloten in het hier aan de
orde zijnde arbeidsongeschiktheidsbegrip. Die bezwaren van appellant
treffen dan ook geen doel.
Gegeven de juistheid van het door gedaagde vastgestelde maatmaninkomen
moet worden vastgesteld dat vergelijking daarvan met het loon van de
middelste van de drie hoogstbeloonde functies die aan appellant zijn
voorgehouden, laat zien dat per 13 december 1998 voor appellant geen
voor de toepassing van de WAZ relevant verlies aan verdienvermogen
resteert.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en in het
openbaar uitgesproken op 28 november 2001.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|