|
Uitspraak
01/1128
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 2 juli 1999 heeft gedaagde geweigerd om appellant in
aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat
appellant op en na 29 september 1995 minder dan 25% arbeidsongeschikt
was.
Het door appellant bij brief van 2 augustus 1999 tegen evenvermeld
besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 januari 2000 ongegrond
verklaard.
Namens appellant heeft mr. P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand te Tilburg, bij beroepschrift van 10 februari 2000 beroep
ingesteld tegen het besluit van 3 januari 2000 (hierna: het bestreden
besluit).
De Rechtbank Breda heeft het beroep bij uitspraak van 29 december 2000,
verzonden op 9 januari 2001, ongegrond verklaard.
Mr. van 't Hoff, voornoemd, heeft bij beroepschrift van 13 februari 2001
tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger
beroep zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 3 mei 2001.
Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 19 juli 2001 ingezonden.
De Raad heeft bij brief van 3 december 2001 vragen aan gedaagde gesteld,
welke door gedaagde zijn beantwoord bij brief van 19 december 2001,
voorzien van bijlagen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 29 januari 2002, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant, werkzaam als zelfstandig exploitant van een Chinees
restaurant, heeft in februari 1999 door middel van een formulier
"Aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering" bij gedaagde
melding gemaakt van een naar zijn oordeel sedert 1 oktober 1994 wegens
pijnklachten in zijn linker lies bestaande arbeidsongeschiktheid.
Uit het door gedaagdes verzekeringsarts ingestelde onderzoek komt naar
voren dat appellants klachten dateren van oktober 1994, en hij voor het
eerst in juli 1995 daarvoor is geopereerd. Als diagnose is hernia
inguinalis gesteld. De verzekeringsarts heeft geoordeeld dat voor
appellant beperkingen gelden ten aanzien van enkele fysiek belastende
aspecten als langdurig staan, lopen, zwaar tillen, bukken en buigen.
Vervolgens heeft gedaagdes arbeidsdeskundige geoordeeld dat appellant,
uitgaande van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen, nog in
staat is diverse loondienstfuncties te vervullen. Ter berekening van de
mate van appellants arbeidsongeschiktheid heeft de arbeidsdeskundige,
voor zover hier van belang, het maatgevende inkomen van appellant
vastgesteld aan de hand van de fiscale winstgegevens van het bedrijf
over de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag, zijnde de jaren 1991, 1992 en 1993. Op
jaarbasis leidde dit, gecorrigeerd met de AA-premies, tot een bedrag van
f 44.482,91 (€ 20.185,46) en per uur, uitgaande van een
maatgevende omvang van 70 uur per week en na toepassing van indexering,
tot een bedrag van f 13,49 (€ 6,12).
De resterende verdiencapaciteit is vastgesteld aan de hand van het
uurloon van de middelste van de drie hoogstverlonende voor appellant
passend geachte functies, zijnde f 20,17 (€ 9,15). De
arbeidsdeskundige heeft vervolgens op genoemd uurloon een reductiefactor
toegepast van 36/70, leidende tot een mediane loonwaarde van f 10,29
(€ 4,67) per uur. Genoemde reductiefactor berustte op toepassing
van de door gedaagde in het Besluit Uurloonschatting 1999 neergelegde
regels, welke - voor zover hier van belang - erin voorzien dat in
gevallen waarin de resterende verdiencapaciteit wordt vastgesteld aan de
hand van functies met een omvang lager dan de in dat besluit bedoelde
bandbreedte, terwijl functies met arbeidsplaatsen binnen de bandbreedte
ontbreken, bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid
rekening wordt gehouden met deze kleinere urenomvang. Daartoe is een
systematiek ontwikkeld waarbij het mediane uurloon zoals dat uit het
Functie Informatie Systeem blijkt, wordt gereduceerd met een bepaalde,
nader in het Besluit uitgewerkte en in appellants geval op genoemde
36/70 vastgestelde, factor. Vergelijking van de aldus op f 10,29 (€ 4,67) berekende resterende verdiencapaciteit met een maatgevend
uurloon van f 13,49 (€ 6,12) resulteerde volgens de
arbeidsdeskundige in een voor de toepassing van de WAZ
niet relevant
verliespercentage van 23,74.
Op basis van evenvermelde uitgangspunten is bij het primaire besluit van
2 juli 1999, als gehandhaafd bij het bestreden besluit van 3 januari
2000, toekenning van uitkering aan appellant ontzegd.
Van de zijde van appellant is in beroep tegen laatstgenoemd besluit,
evenals in bezwaar tegen het primaire besluit, in het bijzonder bezwaar
gemaakt tegen de vaststelling van het maatmaninkomen. Naar het oordeel
van appellant is daarbij ten onrechte de op de bedrijfswinst toegepaste
investeringsaftrek niet buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is als
grief naar voren gebracht dat ten onrechte toepassing is gegeven aan het
Besluit Uurloonschatting (hierna: het Besluit) en dat een schatting op
basis van jaarlonen had moeten worden gehanteerd.
De rechtbank heeft, kort weergegeven, in de eerste plaats vastgesteld
dat de juistheid van de in aanmerking genomen medische beperkingen en de
geschiktheid van de geselecteerde functies tussen partijen niet in
geschil is, in verband waarmee ook de rechtbank uitgaat van de juistheid
van die beperkingen en functies. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld
dat de wijze waarop het maatgevende inkomen door gedaagde is bepaald in
overeenstemming is met de in vaste rechtspraak van de Raad neergelegde
hoofdregel dat uitgegaan dient te worden van de naar de fiscus
verantwoorde en door deze aanvaarde nettowinst over de drie boekjaren
voorafgaande aan het jaar van intreden van de arbeidsongeschiktheid, en
dat niet gebleken is van enige bijzondere omstandigheid om van die
hoofdregel af te wijken. De hiervoor vermelde grief inzake de
investeringsaftrek, treft aldus de rechtbank, daarom geen doel. Ten
slotte heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat, nu het
Besluit Uurloonschatting op 1 april 1999 in werking is getreden en de
aanzegging van de schatting in casu bij brief van 18 juni 1999 heeft
plaatsgevonden, gedaagde, gegeven de in het Besluit neergelegde
overgangsbepaling, terecht aan het Besluit toepassing heeft gegeven.
In hoger beroep heeft appellant zijn opvatting gehandhaafd dat gedaagde
bij het berekenen van zijn maatmaninkomen ten onrechte de
investeringsaftrek op het netto bedrijfsresultaat in mindering heeft
gebracht. Appellant doet de mate van zijn arbeidsongeschiktheid,
uitgaande van de door hem juist geachte cijfermatige gegevens op
jaarbasis, berekenen op ruim 41%, derhalve overeenkomend met indeling in
de klasse 35 tot 45%. Daarbij handhaaft hij eveneens zijn stelling dat het
Besluit, gegeven de in geding zijnde datum, niet op hem van toepassing
is, onder erkenning overigens dat het al dan niet van toepassing zijn
van het Besluit op zich genomen niet tot een andere schattingsuitkomst
leidt dan de uitkomst als neergelegd in het bestreden besluit.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt voorop dat hij, in navolging van de rechtbank, uitgaat van
de - ook in hoger beroep door appellant niet betwiste - medische
beperkingen zoals deze door gedaagde in aanmerking zijn genomen. Tevens
staat voor de Raad vast dat appellant, uitgaande van die beperkingen, op
de in geding zijnde datum in staat was tot het verrichten van de
werkzaamheden welke zijn verbonden aan de acht functies die gedaagde,
blijkens zijn beantwoording d.d. 19 december 2001 van door de Raad
gestelde vragen, als grondslag voor de schatting wenst te handhaven. Ten
slotte heeft de Raad geen aanleiding - ook hier geldt overigens dat van
de zijde van appellant geen betwisting heeft plaatsgevonden - om
gedaagdes standpunt voor onjuist te houden, zoals toegelicht in het
hiervoor genoemde antwoordschrijven van 19 december 2001, dat appellants
medische beperkingen hem niet beletten om ten tijde hier van belang nog
werkzaam te zijn in de maatgevende omvang van 70 uur per week.
Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat gedaagdes besluit om
appellant wegens het ontbreken op en na 29 september 1995 van relevante
arbeidsongeschiktheid in de zin van die WAZ geen uitkering ingevolge die
wet toe te kennen, in rechte stand kan houden.
Naar aanleiding van de namens appellant aangevoerde bezwaren, overweegt
de Raad daarbij het volgende.
Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, is in vaste jurisprudentie
van de Raad neergelegd dat bij de bepaling van het maatmaninkomen van
een zelfstandige in beginsel steeds als uitgangspunt heeft te gelden de
aan de fiscus verantwoorde en door deze aanvaarde nettowinst over de
laatste drie boekjaren voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid. De Raad constateert dat de vaststelling van de
mate van appellants arbeidsongeschiktheid overeenkomstig deze hoofdregel
heeft plaatsgevonden, in het bijzonder ook op het punt van de
investeringsaftrek die appellant, en zulks aanvaard door de fiscus, ten
laste heeft gebracht van de bedrijfswinst. In de rechtspraak is, anders
dan appellant meent, geen aanknopingspunt gelegen om deze
investeringsaftrek niet ten volle mee te laten tellen voor het bepalen
van de nettowinst en daarmee voor het maatgevende inkomen van appellant.
De Raad merkt daarbij nog op dat de van de zijde van appellant vermelde
rechtspraak betrekking heeft op andere posten en bovendien niet ziet op
de vaststelling van het maatmaninkomen, zodat in die rechtspraak geen
aanleiding kan worden gevonden voor een ander oordeel. Ten slotte heeft
de Raad in aanmerking genomen dat niet is kunnen blijken van een
bijzondere omstandigheid welke het in appellants situatie aangewezen
doet zijn een uitzondering op vorenomschreven hoofdregel van toepassing
te achten.
Niet kan de Raad zich evenwel verenigen met de opvatting van de
rechtbank dat gedaagde terecht toepassing heeft gegeven aan het Besluit.
De rechtbank heeft daarbij miskend dat het Besluit, blijkens de aanhef
daarvan, een uitwerking bevat van de in het Besluit van 24 december
1997, houdende wijziging van het Schattingsbesluit, Stb. 1997, 802, in
werking getreden met ingang van 31 december 1997 en het
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, Stb. 1997, 801, in werking
getreden met ingang van 1 januari 1998, neergelegde methodiek van
uurloonschatting. In het geval van appellant gaat het om een beoordeling
van de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 september 1995, op welke
beoordeling genoemde Schattingsbesluiten niet van toepassing zijn. De
onderhavige schatting dient te worden verricht met inachtneming van de
op laatstvermelde datum geldende regels, welke, voor zover hier van
belang, een maandloonschatting voorschrijven.
De Raad concludeert aldus dat het Besluit in appellants geval toepassing
mist. Uit meergenoemde antwoordbrief van gedaagde d.d. 19 december 2001
leidt de Raad af dat die conclusie inmiddels ook door gedaagde wordt
getrokken. In het bij die brief gevoegde rapport van 12 december 2001
heeft gedaagdes arbeidsdeskundige immers, daarbij ermee rekening
houdende dat drie functies zijn komen te vervallen en nog acht functies
als grondslag voor de schatting overblijven, een nieuwe berekening van
de mate van appellants arbeidsongeschiktheid gemaakt, waarbij op basis
van inkomens per maand een vergelijking is gemaakt tussen het
maatgevende inkomen en de resterende verdiencapaciteit.
Deze vergelijking blijkt niet tot een andere schattingsuitkomst te
leiden, althans in die zin dat de mate van appellants
arbeidsongeschiktheid per de datum in geding onverminderd uitkomt op
minder dan 25%. De Raad heeft geen aanleiding om deze uitkomst voor
onjuist te houden.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het
ten dele met wijziging van de gronden waarop deze rust, voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2002.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|