|
Uitspraak
99/6508
WAZ en 00/609 WAZ t/m 00/612 WAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 februari 1998 (hierna: het kortingsbesluit) heeft
gedaagde appellant meegedeeld dat in verband met de winst uit zijn
onderneming over 1996 zijn uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, over dat jaar wordt uitbetaald als
ware hij 25 tot 35% arbeidsongeschikt.
Bij besluit van eveneens 6 februari 1998 (hierna: het
intrekkingsbesluit) heeft gedaagde de AAW-uitkering van appellant met
ingang van 1 januari 1997 ingetrokken.
Appellant heeft bij brief van 12 februari 1998 tegen deze besluiten
bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 maart 1998 (hierna: het terugvorderingsbesluit 1)
heeft gedaagde van appellant de ten onrechte door hem ontvangen
AAW-uitkering over de periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998 ten
bedrage van f 22.020,83 teruggevorderd.
Bij besluit van 20 maart 1998 (hierna: het terugvorderingsbesluit 2)
heeft gedaagde van appellant de door hem teveel ontvangen uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 januari 1998 ten
bedrage van f 1.294,93 netto teruggevorderd.
Appellant heeft bij brief van 6 april 1998 tegen de
terugvorderingsbesluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt.
Bij afzonderlijke besluiten van 11 februari 1999 (hierna
onderscheidenlijk de besluiten 1, 2, 3 en 4) heeft gedaagde de bezwaren
tegen respectievelijk het kortingsbesluit, het intrekkingsbesluit en de
terugvorderingsbesluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
Bij beroepschriften van 10 en 22 maart 1999 heeft appellant tegen de
besluiten 1, 2, 3 en 4 beroep ingesteld.
Bij besluit van 18 augustus 1998 heeft gedaagde appellant naar
aanleiding van zijn verzoek van 2 december 1997 niet in aanmerking
gebracht voor een verhoging van zijn AAW-uitkering wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid.
Appellant heeft bij brief van 1 september 1998 tegen dit besluit bezwaar
gemaakt.
Bij besluit van van 17 maart 1999 (hierna: besluit 5) heeft gedaagde dit
bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft bij beroepschrift van 22 maart 1999 tegen besluit 5
beroep ingesteld.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 12 november 1999 de
beroepen van appellant tegen de besluiten 1 t/m 5 ongegrond verklaard.
Appellant heeft bij beroepschrift van 20 december 1999 tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij brief van 28 april 2000 een verweerschrift ingediend
en heeft bij brief van 14 januari 2002 desgevraagd - onder overlegging
van een bijlage - nadere informatie verstrekt.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 19 maart 2002,
waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen
mr. M.J. Kraaijeveld, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad zal het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover
betreffende de besluiten 1 t/m 4, als eerste en gezamenlijk en, voor
zover betreffende besluit 5, daarna afzonderlijk behandelen.
Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover betreffende
de besluiten 1 t/m 4
Voor zijn oordeelsvorming met betrekking tot dit onderdeel van het hoger
beroep gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant was werkzaam als zelfstandig agrariër toen hij op 5 september
1983 uitviel met psychische klachten. Na het doorlopen van de daarvoor
geldende wachttijd ontving hij met ingang van 3 september 1984 een
AAW-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65
tot 80%. De rechtsvoorganger van gedaagde heeft appellant bij besluit
van 18 december 1996 met toepassing van artikel 33 van de AAW meegedeeld
dat hij in verband met winst uit zijn onderneming over 1994 en 1995
ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%, maar
dat zijn AAW-uitkering over die jaren wordt vastgesteld als ware hij
minder dan 25% arbeidsongeschikt. De arbeidsdeskundige M. Janssen heeft
blijkens zijn rapport van 15 december 1997 aan de hand van onder andere
de aangifte inkomstenbelasting van appellant over 1996 zijn aandeel in
de winst van het agrarisch bedrijf over 1996 berekend op f 55.589,50 en
heeft uitgaande van een maatmaninkomen van f 77.741,35 over 1996 het
verlies aan verdienvermogen in dat jaar berekend op 28,49%. Een en ander
bracht Janssen tot de conclusie dat appellant met toepassing van artikel
33 van de AAW over 1996 ingedeeld diende te worden in de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Hieromtrent is appellant geïnformeerd
bij brief van gedaagde van 18 december 1997. Voorts heeft gedaagde
appellant bij brief van december 1997 meegedeeld dat de als gevolg van
de toepassing van artikel 33 van de AAW teveel ontvangen uitkering over
1996 zal worden teruggevorderd. Vervolgens heeft gedaagde het kortings-
en het intrekkingsbesluit, alsmede de terugvorderingsbesluiten 1 en 2
genomen. In het intrekkingsbesluit heeft gedaagde gewezen op de
toepassing van artikel 33 van de AAW sedert 1994, op de begrenzing van
die toepassing over een aaneengesloten termijn van drie jaren en op de
vaststelling na middeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant
over de periode van 1 januari 1994 tot 1 januari 1997 op minder dan 25%.
In het terugvorderingsbesluit 1 heeft gedaagde in verband met de
inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering
sociale zekerheid (hierna: Wet boeten) op 1 augustus 1996 een
onderscheid gemaakt in de bevoegdheid tot terugvordering op grond van de
AAW over de periode vóór die inwerkingtreding en de verplichting tot
terugvordering na die inwerkingtreding en heeft hij, uitgaande van de
eerste terugvorderingshandeling vervat in de brief 18 december 1997
(lees: december 1997) de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 1996
vatbaar geacht voor terugvordering op de grond dat het appellant
redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat hij ten onrechte teveel
uitkering ontving.
Tegen het kortings- en intrekkingsbesluit heeft appellant in bezwaar
aangevoerd dat de inkomsten uit zijn bedrijf niet geheel zijn verkregen
door zijn arbeid, maar grotendeels door het verleasen van zijn
melkquotum, het verhuren van aspergevelden en het laten verrichten van
werk door loonwerkers. Tegen de terugvorderingsbesluiten 1 en 2 heeft
appellant geen afzonderlijke onderbouwing van zijn bezwaar bij gedaagde
ingebracht.
In besluit 1, dat ziet op het kortingsbesluit, heeft gedaagde overwogen
dat appellant op zijn aangifte inkomstenbelasting winst uit onderneming
heeft opgevoerd en aldus voor de fiscus nog als ondernemer is aan te
merken. Alsdan geldt volgens gedaagde dat de opbrengst van het verleasen
van het melkquotum en het verhuren van aspergevelden inkomsten uit
arbeid zijn. Ook al waren de werkzaamheden van appellant zelf van
beperkte omvang, dan dienen deze, aldus gedaagde, te worden gezien als
deel uitmakend van zijn ondernemerschap en bedrijfsvoering en zijn de
daarmee verkregen inkomsten inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel
33 van de AAW.
Bij de besluiten 2, 3 en 4 heeft gedaagde de bezwaren tegen het
intrekkingsbesluit en de terugvorderingsbesluiten 1 en 2 ongegrond
verklaard.
In beroep heeft appellant zijn in de bezwaarprocedure voorgebrachte
gronden herhaald.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ten aanzien van besluit 1
overwogen dat appellant de financiële gegevens die aan de berekening
van de theoretische mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag liggen
en de berekening van de arbeidsdeskundige niet heeft betwist. Gelet
hierop heeft zij het geschil met betrekking tot dit besluit beperkt tot
de vraag of gedaagde er terecht geen rekening mee heeft gehouden dat de
inkomsten over 1996 niet alleen zijn voortgekomen uit de door appellant
en zijn echtgenote verrichte arbeid maar ook uit andere hoofde als door
appellant gesteld. Dienaangaande heeft de rechtbank als volgt overwogen:
"Verweerder is bij de vaststelling van eisers verdienvermogen
uitgegaan van eisers eigen opgave van inkomsten zoals hij die ook aan de
fiscus heeft gepresenteerd. Gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd
moet de rechtbank vaststellen dat door eiser (feitelijk) niet wordt
bestreden dat hij bedoelde inkomsten gedurende het jaar 1996 heeft
genoten. Partijen verschillen wel van mening over de berekening van de
korting voor zover door verweerder geen rekening is gehouden met de
inkomsten voorzover die zijn voortgekomen uit, zoals eiser stelt, het
verleasen van het melkquotum, het verhuren van asperges en werk door
derden (loonwerkers).
Op grond van de vaste rechtspraak zoals die zich ontwikkeld heeft, is de
rechtbank van oordeel dat aan hetgeen door een verzekerde tegenover de
fiscus is verantwoord en door die instantie (kennelijk) is aanvaard (van
het tegendeel is de rechtbank niet gebleken) bijzondere betekenis moet
worden toegekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij
het vaststellen van het inkomen uit arbeid van eiser terecht voorbij is
gegaan aan voornoemde inkomenbepalende elementen en het inkomen van
eiser niet onjuist heeft berekend".
Terzake van besluit 2 heeft de rechtbank in feite herhaald hetgeen
gedaagde reeds in het intrekkingsbesluit had gesteld, terwijl zij zulks
wat betreft de wettelijke grondslag eveneens, zij het uitvoeriger, heeft
gedaan ten aanzien van de daarvoor gegeven argumentatie in het
terugvorderingsbesluit 1, dat bij besluit 3 is gehandhaafd. Daaraan
heeft de rechtbank toegevoegd dat tegen besluit 3 door appellant geen
inhoudelijke argumenten zijn aangevoerd en dat niet is gebleken van een
onjuiste toepassing van de wettelijke bepalingen die gelden voor
terugvordering. Gelet hierop zag de rechtbank geen reden voor de
conclusie dat besluit 3 de rechterlijke toets niet kon doorstaan.
Ten aanzien van besluit 4 heeft de rechtbank verwezen naar hetgeen zij
met betrekking tot besluit 3 heeft overwogen.
In hoger beroep heeft appellant geen wezenlijk nieuwe argumenten naar
voren gebracht.
De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak
terzake van de besluiten 1, 2 , 3 en 4 heeft overwogen en in essentie
hiervoor is aangehaald dan wel samengevat is weergegeven en voegt
daaraan wat betreft de besluiten 1 en 2 nog het volgende toe.
Wat betreft besluit 1 overweegt de Raad dat de rechtbank, gezien het
beroepschrift, niet ten onrechte het geschil heeft beperkt tot de in de
aangevallen uitspraak geformuleerde en beoordeelde vraag. De Raad wijst
wat betreft deze vraag in het bijzonder ook op zijn uitspraak van 24
december 1999 (RSV 00,41), waarin hij ten aanzien van de beantwoording
van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid heeft verricht
zijn vaste jurisprudentie vooropstelt, welke inhoudt dat daarbij tot
uitgangspunt dient te worden genomen de in het kader van de fiscale
wetgeving gemaakte keuze van betrokkene. De keuze hield in het geval aan
de orde in deze uitspraak - evenals in het geval van appellant in 1996 -
in dat de betrokkene naar de fiscus toe zijn inkomsten als winst uit
onderneming had gepresenteerd. In lijn van zijn vaste jurisprudentie
oordeelde de Raad in deze uitspraak vervolgens dat de inkomsten uit
verhuur van melkquotum en verkoop van gewassen overeenkomstig de
gemaakte fiscale keuze in beginsel als inkomsten uit arbeid dienen te
worden beschouwd en achtte hij onvoldoende grond aanwezig om te spreken
van zodanige bijzondere omstandigheden dat de fiscale keuze niet tot
uitgangspunt kan worden genomen bij de toepassing van artikel 33 van de
AAW. Daarbij achtte de Raad van belang dat niet ondubbelzinnig was
aangetoond dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de
fiscale keuze, waarbij de Raad er op wees dat het agrarisch bedrijf van
betrokkene wat betreft zijn arbeidsinzet in aangepaste vorm is
voortgezet. De Raad heeft geen aanleiding gezien in het geval van
appellant, dat in dit opzicht gelijkenis vertoont met het in
evenbedoelde uitspraak aan de orde zijde geval, anders te oordelen.
Naast de uit het vorenstaande blijkende punten van overeenkomst heeft
ook appellant zijn agrarisch bedrijf immers in aangepaste vorm
voortgezet met een arbeidsinzet van appellant welke zich, afgaande op de
gedingstukken, beperkte tot ongeveer 20 tot 25 uur per week.
Met betrekking tot besluit 2, waarbij toepassing is gegeven aan artikel
33, tweede lid, van de AAW, overweegt de Raad nog dat dit artikellid
geen onderscheid maakt tussen een volledige en een gedeeltelijke korting
in de voorafgaande aaneengesloten termijn van drie jaren en dat de
gedingstukken de Raad geen aanleiding geven voor de conclusie dat
gedaagde bij besluit 2 het primaire besluit, waarbij na middeling van de
inkomsten van appellant over de jaren 1994, 1995 en 1996 zijn mate van
arbeidsongeschiktheid op minder dan 25% is gesteld, ten onrechte heeft
gehandhaafd.
Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voorzover het betreft
besluit 5
Met betrekking tot dit onderdeel van het hoger beroep gaat de Raad uit
van de volgende feiten en omstandigheden.
In het kader van de zogenoemde eenmalige herbeoordeling op grond van de
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft de
verzekeringsarts P. Genders appellant blijkens zijn rapport van 17
oktober 1995 in psychisch opzicht onveranderd beperkt belastbaar geacht
en wel voor maximaal 4 uur per dag zonder duidelijke combinatie van
werken onder tijdsdruk en dwingend werktempo en voorts zonder
conflicterende eisen, conflictbelasting en veantwoordelijkheid dan wel
afbreukrisico. Een en ander vond vervolgens uitwerking in het
handgeschreven FIS-formulier van dezelfde datum. Na ontvangst van
informatie van de behandelend zenuwarts B.G. Soons zijn hierin geen
wijzigingen aangebracht. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige W.H.M.
Zuurveld blijkens zijn rapport van 23 januari 1996 vastgesteld dat voor
appellant geen functies op de arbeidsmarkt zijn te duiden. Zuurveld
achtte echter met hulp van derden een algemene arbeidsinbreng in eigen
tempo van ongeveer 1/3 in het eigen bedrijf nog mogelijk.
Bij brief van 2 december 1997 heeft appellant gedaagde meegedeeld vanaf
begin oktober door privé-omstandigheden meer psychische klachten te
hebben.
De verzekeringsarts L.T.P. van Rossum heeft appellant op 23 april 1998
onderzocht en heeft op 7 mei 1998 rapport uitgebracht. Appellant
informeerde Van Rossum omtrent een verergering in de loop van oktober
1997 in verband met privéproblematiek. Van Rossum beschikte over
informatie van Soons, die hem in zijn brief van 1 mei 1998 meldde dat
het bedrijf van appellant moeilijk liep, zijn vitaliteit nog aanzienlijk
is verminderd en dat zijn prestatievermogen al met al hetzelfde is
gebleven, zo niet is afgenomen. Van Rossum concludeerde op basis hiervan
en van zijn eigen onderzoek dat in grote lijnen de psychische status van
appellant hetzelfde is gebleven, dat niet kan worden gesproken van een
duidelijke achteruitgang van zijn belastbaarheid en dat het
FIS-formulier van 17 oktober 1995 blijft gehandhaafd. De
arbeidsdeskundige J.J. Holthuijsen oordeelde op basis van een en ander
in zijn rapport van 1 juli 1998 dat, zoals reeds is gebleken uit een
arbeidskundig rapport van 15 december 1997, appellant zijn
maatmaninkomen nagenoeg in zijn eigen bedrijf heeft kunnen verdienen en
dat er geen twijfel bestaat aan de duurzaamheid. Vervolgens heeft
gedaagde het primaire besluit van 18 augustus 1998 genomen. In de
bezwaarprocedure hebben de bezwaarverzekeringsarts en de
bezwaararbeidsdeskundige de aan het primaire besluit ten grondslag
gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling
gehandhaafd met de conclusie dat er per oktober 1997 geen gewijzigde
arbeidsbelastbaarheid bestaat door dezelfde ziekteoorzaak
onderscheidenlijk dat appellant ook in 1997 en 1998 zijn maatgevend
inkomen heeft kunnen verdienen, waarna gedaagde besluit 5 heeft genomen.
In beroep heeft appellant gewezen op zijn verminderde belastbaarheid
vanwege zware psychische klachten als gevolg van echtscheiding in het
najaar van 1997.
In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van
zwaardere beperkingen dan waarmee gedaagde rekening heeft gehouden en
dat ook de informatie van Soons de rechtbank er niet heeft kunnen
overtuigen dat de beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld,
waaraan de rechtbank de conclusie verbond dat geen sprake is van
toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De Raad stelt voorop dat noch in het primaire besluit noch in besluit 5
een precieze datum is genoemd, vanaf welke de gestelde toegenomen
arbeidsongeschiktheid van appellant is beoordeeld, zij het dat in
besluit 5 wel de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts is aangehaald
dat er per oktober 1997 geen gewijzigde arbeidsbelastbaarheid bestaat.
Desgevraagd heeft gedaagde in zijn brief van 14 januari 2002 gesteld dat
besluit 5 ziet op een toename van klachten vanaf oktober 1997 en dat
arbitrair de datum van toename is gesteld op 1 oktober 1997. De Raad
heeft, gezien de inhoud van de melding van toegenomen
arbeidsongeschiktheid van appellant zelf en de evenbedoelde conclusie
van de bezwaarverzekeringsarts, geen aanleiding gezien om deze nadere
precisering voor onjuist te houden en om aan te nemen dat de beoordeling
door gedaagde niet op en vanaf deze datum betrekking heeft.
Voorts is de Raad niet gebleken dat besluit 5 op een onjuiste medische
en arbeidskundige grondslag berust. De Raad neemt daarbij in overweging
dat op grond van de beschikbare medische informatie in het najaar van
1997 wellicht sprake is geweest van een tijdelijke verslechtering in de
gezondheidstoestand van appellant, maar dat zulks niet heeft geleid tot
een in het kader van de AAW relevante toename van de eerder vastgestelde
beperkingen.
Op grond van al het vorenoverwogene komt de Raad tot de slotsom dat de
besluiten 1 t/m 5 in rechte standhouden, zodat de aangevallen uitspraak
dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|