|
Uitspraak
00/6193
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij besluit van 30 november 1999, hierna: het bestreden
besluit, het door gedaagde ingediende bezwaar tegen zijn besluit van 7
juli 1998, waarbij de aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 24
augustus 1998 is ingetrokken, gegrond verklaard en gedaagde vanaf 24
augustus 1998 ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht.
Tevens heeft appellant bij het bestreden besluit de WAZ-uitkering van
gedaagde alsnog met ingang van 3 augustus 1999 ingetrokken.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 7 november 2000 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 31 januari 2003, waar partijen -gedaagde met
kennisgeving- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting
van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met de
navolgende overwegingen.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde
tegen het bestreden besluit ongegrond geoordeeld. Zij heeft daartoe
overwogen dat er geen redenen zijn de voor gedaagde vastgestelde
medische beperkingen onjuist te achten en dat gedaagde ondanks die
beperkingen in staat moet worden geacht in gangbare arbeid een inkomen
te verwerven, leidend tot een verlies aan verdiencapaciteit van minder
dan 25%. Verder heeft de rechtbank omtrent de vaststelling van het
maatmaninkomen van gedaagde het volgende overwogen, waarbij appellant
als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid:
"Volgens vaste jurisprudentie is het inkomen van een zelfstandige
gelijk aan de door de fiscus geaccepteerde netto winst. De netto winst
hoeft echter niet hetzelfde te zijn als het belastbaar inkomen. Zo
behoort de investeringsaftrek, zijnde een typisch fiscaal voordeel, naar
het oordeel van de rechtbank wel tot de netto winst, waaraan niet
afdoet, dat daarover geen belasting wordt geheven. Verweerder heeft dit
miskend. De rechtbank hecht eraan dit hier vast te stellen, omdat het
maatmanloon wellicht in de toekomst ten aanzien van eiser weer een rol
kan spelen. Voor de onderhavige zaak maakt het echter geen verschil of
de investeringsaftrek alsnog bij het maatmanloon wordt opgeteld, omdat
ook dan het verlies aan verdiencapaciteit onder de 25% blijft."
Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen deze
overweging van de rechtbank. Appellant wenst kennelijk in zoverre
verbetering van de gronden van de aangevallen uitspraak.
De Raad is van oordeel dat appellant niet in zijn beroep tegen de
aangevallen uitspraak kan worden ontvangen en overweegt daartoe, onder
verwijzing naar zijn uitspraak van 24 mei 2002, gepubliceerd in USZ
2002/248, dat de rechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen is geroepen
indien nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van
een bestuursorgaan. Van een geschil over een dergelijk besluit is in
casu geen sprake meer nu de rechtbank ondanks de haars inziens onjuiste
vaststelling van het maatmaninkomen het bestreden besluit in rechte
houdbaar heeft geacht en gedaagde dit oordeel in hoger beroep niet heeft
aangevochten.
Voorts merkt de Raad op dat appellant bij de beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van gedaagde op een latere datum dan de hier in
geding zijnde datum niet gebonden is aan het oordeel van de rechtbank
met betrekking tot de wijze van berekening van het maatmaninkomen. Bij
een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een latere
datum kan de daaraan ten grondslag gelegde keuze met betrekking tot het
maatmaninkomen blijkens vaste rechtspraak van de Raad immers ook
volledig in rechte worden getoetst.
Voor zover appellant het hoger beroep heeft ingesteld met het oog op
mogelijke gevolgen in andere zaken met een soortgelijke problematiek kan
de Raad daarin, wat daarvan op zichzelf ook zij, niet enig direct tot de
rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang van appellant
bij een beslissing van de Raad ontwaren. Naar īs Raads oordeel strekt
het in de Beroepswet geregelde recht van hoger beroep er niet toe om
algemene bij appellant levende rechtsvragen beantwoord te krijgen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van
appellant, wegens het ontbreken van (voldoende) processueel belang,
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van 327,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en
mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van
Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2003.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|