|
Uitspraak
01/451
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Alkmaar van 6 december 2000, nummer 99/120 WAZ C, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 januari 2003, waar
namens appellant is verschenen mr. E.G. van Roest, werkzaam bij het Uwv,
terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Westenberg.
II. MOTIVERING
Gedaagde is in maart 1997 arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als
zelfstandig vrachtwagenchauffeur door een ongeval met zijn vrachtwagen.
In de drie jaren voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid heeft gedaagde als zelfstandige de volgende
nettowinst uit onderneming behaald: in 1994 ƒ 48.726,-, in 1995 ƒ
119.899,- en in 1996 ƒ 39.037,-. In de winst over 1995 is begrepen een
bedrag van ƒ 100.000,- in verband met een in dat jaar van zijn
belangrijkste opdrachtgever ontvangen schadeloosstelling wegens het
wegvallen van een al jaren bestaande overeenkomst op basis waarvan
gedaagde voor die onderneming werk verrichtte. Gedaagde heeft ervoor
gekozen dat bedrag in het jaar 1995 volledig ten laste van de
bedrijfswinst te brengen. Ook bij de fiscus is dat bedrag als winst uit
onderneming aangegeven. Gedaagde heeft daarover belasting en premie
betaald.
Bij de vaststelling van het zogeheten maatmaninkomen heeft appellant de
rekenregels toegepast die zijn neergelegd in 's Raads uitspraak van 17
augustus 1993, RSV 1993/298. Appellant heeft bij die berekening
aanvankelijk het bedrag van de hiervoor genoemde schadeloosstelling
geheel buiten beschouwing gelaten. Appellants arbeidsdeskundige R.J. de Boer heeft daartoe het standpunt ingenomen dat bedoelde
schadeloosstelling niet als inkomen uit of in verband met arbeid kan
worden aangemerkt.
Bij besluit van 26 mei 1998 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat gedaagde na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 27 maart 1998 minder
dan 25% arbeidsongeschikt was.
Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt heeft de bezwaararbeidsdeskundige van
appellant zich op het standpunt gesteld dat de hiervoor genoemde
schadeloosstelling wel als inkomen uit of in verband met arbeid moet
worden beschouwd maar dat die schadeloosstelling over 5 boekjaren vanaf
1995 moet worden verdeeld. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige
het bedrag van ƒ 100.000,- voor 40% aan de bedrijfswinst over 1995,
voor 20% over 1996 en voor 20%, respectievelijk 10% aan de bedrijfswinst
over de daarop volgende jaren toegerekend.
Dit heeft ertoe geleid dat bij het bestreden besluit van 11 december
1998 het besluit van 26 mei 1998 niet is gehandhaafd, met dien verstande
dat aan gedaagde met ingang van 27 maart 1998 een uitkering ingevolge de
WAZ is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
35 tot 45%.
Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank zich met het door
appellant ingenomen standpunt heeft kunnen verenigen, met dien verstande
dat de rechtbank van oordeel is dat de ƒ 100.000,- uitsluitend aan de
winst over 1995 en 1996 en niet aan daarop volgende jaren moet worden
toegerekend. Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit
vernietigd.
In hoger beroep neemt appellant het standpunt in dat de door hem
gemaakte berekening de juiste is.
Gedaagde houdt ook in hoger beroep primair staande dat de bewuste
schadeloosstelling geheel als winst uit onderneming over 1995 moet
worden aangemerkt bij de berekening van het maatmaninkomen.
Het geschil tussen partijen is beperkt tot de thans door de Raad te
beantwoorden vraag of appellant bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van gedaagde van een juist maatmaninkomen is
uitgegaan.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals de Raad eerder in zijn jurisprudentie tot uitdrukking heeft
gebracht, onder meer in zijn hiervoor vermelde uitspraak, dient bij de
bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige voor de gevallen
waarin dat praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt te gelden de
door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor
het intreden van de arbeidsongeschiktheid; die winstcijfers dienen eerst
afzonderlijk geïndexeerd te worden naar de in geding zijnde datum,
waarna de som van de geïndexeerde winstcijfers vervolgens door het
getal drie wordt gedeeld.
De Raad ziet geen reden om op grond van hetgeen door (de
arbeidsdeskundigen van) appellant is gesteld in het onderhavige geval
een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen.
Gedaagde heeft vrijwillig de keus gemaakt om de door hem ontvangen
vergoeding, die door de fiscus en door partijen als winst uit
onderneming is aangemerkt, in haar geheel aan in 1995 genoten winst toe
te rekenen, welke keus door de fiscus is geaccepteerd.
Die door gedaagde gemaakte keus behoort voor de berekening van het
maatmaninkomen in beginsel doorslaggevend te zijn met dien verstande dat
er, zoals de Raad al vaker heeft overwogen, omstandigheden denkbaar zijn
die meebrengen dat van de door betrokkene gemaakte en door de fiscus
aanvaarde keuze moet worden afgeweken.
Die omstandigheden doen zich naar het oordeel van de Raad in het
onderhavige geval niet voor.
De Raad wijst erop dat gedaagde die keus heeft gemaakt op een tijdstip
waarop de pas veel later en onverwacht ontstane arbeidsongeschiktheid
niet bepalend kan zijn geweest bij het maken van die keus.
Voorts is de Raad van oordeel dat de keus om door tussenkomst van een
advocaat in rechte van de opdrachtgever een vergoeding te vorderen
wegens het onrechtmatig verbreken van een jarenlange contractuele
relatie een typische ondernemersbeslissing is, waaraan het toeval niet
vreemd is en die goed of slecht voor gedaagde had kunnen uitpakken.
De Raad ziet daarom geen reden om het gunstig resultaat van die
beslissing, evenals gedaagde, anders te beschouwen dan als een
"uitschieter" van de winst in 1995.
Daarbij is in aanmerking genomen, zoals de Raad al eerder overwoog in
zijn uitspraak van 30 mei 2000, gepubliceerd in RSV 2000/164, dat
winstontwikkeling niet alleen afhankelijk is van de door de zelfstandige
geleverde inspanning, maar tevens wordt bepaald door wijzigingen in de
bedrijfsvoering en door ontwikkelingen in de bedrijfstak en in het
economisch klimaat in het algemeen. Deze invloeden kunnen sterke
schommelingen van de winst tot gevolg hebben. Bij de vaststelling van
het maatmaninkomen worden die schommelingen enigszins afgezwakt door
niet de winst over één jaar bepalend te doen zijn, maar uit te gaan
van de winst over een drietal jaren.
Wanneer de Raad uitgaat van de hiervoor gegeven en door partijen niet
betwiste winstcijfers over 1994 (ƒ 48.726,-), 1995 (ƒ 119.899,-) en
1996 (ƒ 39.037,-) en deze worden geïndexeerd met de indexen als
weergegeven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4
december 1998, dan levert dat op ƒ 52.237,-, ƒ 126.209,- en ƒ
40.189,-. Deling van de som van deze getallen door drie resulteert in ƒ
72.878,- en na vermindering met premie AWBZ (1,7%) is het maatmaninkomen
op 27 maart 1998 ƒ 71.639,- per jaar ofwel ƒ 36,26 per uur.
Afgezet tegen een onbetwiste resterende verdiencapaciteit van ƒ 18,39
per uur levert dit een mate van arbeidsongeschiktheid op van 49,3%,
hetgeen overeenkomt met een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot
55%.
Uit het vorenstaande volgt dat bij de aangevallen uitspraak terecht het
bestreden besluit is vernietigd, zij het op gronden die de Raad niet
juist acht.
De aangevallen uitspraak komt derhalve met verbetering van gronden voor
bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat appellant zal worden
opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van
deze, 's Raads, uitspraak.
Ingevolge 's Raads jurisprudentie dient het verzoek om toepassing van
artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden
toegewezen. In de lijn van zijn rechtspraak met betrekking tot aanspraak
op wettelijke rente in het geval van toekenningsbesluiten overweegt de
Raad dat de vergoeding van die rente wordt beperkt tot het tijdvak dat
aanvangt op de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de
datum van het eerste onrechtmatig gebleken toekenningsbesluit met
betrekking tot gedaagdes uitkering is gelegen en eindigt op de dag
waarop de achterstallige uitkering alsnog geheel is nabetaald. Daarbij
geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over
dat jaar verschuldigde rente.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor de kosten van verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van € 327,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze, 's Raads,
uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van schade als hiervoor is
aangegeven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 327,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2003.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|