|
Uitspraak
01/942
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft wijlen mr. Ph. van Zinnicq Bergmann, destijds
advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Maastricht van 19 december 2000, nummer AWB 0/559 WAZ Z,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. I.K. Kolev, advocaat te Eindhoven, heeft zich na het overlijden van
mr. Van Zinnicq Bergmann bij brief van 6 juni 2002 als opvolgend
gemachtigde gesteld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 28 januari 2003, waar partijen - zoals tevoren was bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 30 december 1999 heeft gedaagde met ingang van 3 oktober
1999 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De
grondslag van de uitkering is vastgesteld op ƒ 0,00 zodat appellant
geen uitkering wordt uitbetaald.
Naar aanleiding van een door appellant gemaakt bezwaar heeft gedaagde
het bestreden besluit van 1 mei 2000 genomen. Daarin is overwogen dat
appellant na een langdurig arbeidsverleden in loondienst in mei 1997 als
zelfstandig bakker is begonnen. Begin oktober 1998 overkwam hem een
ongeval waardoor hij volledig arbeidsongeschikt werd. Appellant heeft in
1997 en 1998 als zelfstandige geen winst gemaakt maar uitsluitend
verlies geleden.
Artikel 9 van het Inkomensbesluit WAZ schrijft voor dat bij een
negatieve winst de winst op nihil wordt gesteld. Om die reden is de
grondslag voor de toe te kennen uitkering ingevolge de WAZ terecht op
nihil gesteld zodat appellants bezwaar ongegrond wordt verklaard.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en
gedaagde "verweerder" wordt genoemd, is met betrekking tot het
bestreden besluit onder meer het volgende overwogen en geoordeeld:
"Per 1 januari 1998 is de AAW ingetrokken. Met ingang van
laatstgenoemde datum is de WAZ inwerking getreden. Aangezien eiser op 4
oktober 1998 arbeidsongeschikt is geworden, zijn op eiser de bepalingen
van de WAZ van toepassing.
In artikel 8 van de WAZ is bepaald dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag. Voor
de zelfstandige is de grondslag:
a.hetgeen hij in het boekjaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per
dag aan winst heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag;
b.hetgeen hij in de vijf boekjaren, onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per
dag aan winst heeft genoten.
In het Inkomensbesluit WAZ zijn nadere regels opgenomen.
Artikel 9 Inkomensbesluit WAZ bepaalt dat indien de totaalsom van de
door een verzekerde als zodanig verworven winst en inkomsten tot een
negatief bedrag leidt, de winst en de inkomsten op nihil worden gesteld.
In artikel 10 Inkomensbesluit WAZ is bepaald dat het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) kan afwijken van artikel 8, tweede lid,
onderdeel a WAZ of van het Inkomensbesluit, voor zover de toepassing
daarvan, gelet op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is
ingetreden, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Alsdan bepaalt het Lisv in plaats van het boekjaar of het kalenderjaar
een andere periode van 12 maanden.
In het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van eisers
arbeidsongeschiktheid als zelfstandige heeft eiser een negatieve winst
van ƒ 9.991,- behaald. Verweerder heeft derhalve de winst met
inachtneming van artikel 9 Inkomensbesluit WAZ de winst op nihil
gesteld.
Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit voorts op het
standpunt gesteld dat in eisers geval toepassing van artikel 10
Inkomensbesluit WAZ geen enkel nut zou hebben, aangezien eiser zowel in
1997 als in 1998 een negatieve winst heeft behaald.
Naar het oordeel van eiser heeft verweerder ten onrechte niet overwogen
dat eiser wordt geacht te voldoen aan de inkomenseis. In het refertejaar
heeft eiser veel meer dan 40 uur per week arbeid verricht. In de
voormalige AAW was een regeling voor zelfstandigen opgenomen betreffende
fictief inkomen en eiser stelt zich op het standpunt dat deze
gedachtegang ook onder de WAZ gehanteerd dient te worden.
Zoals verweerder terecht in zijn bestreden besluit heeft aangegeven moet
uit artikel 8 van de WAZ worden opgemaakt dat de wetgever - in
tegenstelling tot de AAW- uitdrukkelijk heeft gekozen voor het beginsel
van feitelijke inkomensderving. (...).
Eiser heeft zowel in het jaar 1997 als 1998 een negatieve winst behaald.
Op grond van de in voornoemde jaren behaalde negatieve winst, heeft
verweerder derhalve terecht met inachtneming van artikel 8 WAZ in
samenhang bezien met het Inkomensbesluit WAZ, de grondslag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op nihil gesteld."
De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of appellant terecht de
grondslag van de toegekende uitkering ingevolge de WAZ op nihil heeft
bepaald.
De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank bevestigend. De Raad
neemt de hierboven weergegeven gronden van de rechtbank over en maakt
die tot de zijne.
Naar aanleiding van hetgeen appellant in zijn brief van 4 januari 2003
aan de Raad heeft aangevoerd overweegt de Raad dat hetgeen appellant
daarin heeft medegedeeld over het terugkrijgen van zijn oude rechten
ingevolge de Werkloosheidswet geheel losstaat van de vraag hoe de
grondslag van een uitkering ingevolge de WAZ moet worden berekend.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart
2003.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|