|
Uitspraak
01/1749
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 21 mei 1999 (besluit 1) heeft gedaagde appellante
medegedeeld dat haar uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke wordt
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, over
het jaar 1998 met toepassing van artikel 58 van die wet wordt uitbetaald
alsof zij 25 tot 35% arbeidsongeschikt was, hetgeen wil zeggen dat
uitbetaling plaatsvindt naar 28% van de grondslag.
Bij besluit van 11 juni 1999 (besluit 2) heeft gedaagde appellante
medegedeeld dat haar voornoemde uitkering over het jaar 1998 met
toepassing van artikel 58 van de WAZ wordt uitbetaald alsof zij 25 tot
35% arbeidsongeschikt is, hetgeen wil zeggen dat uitbetaling plaatsvindt
naar 21% van de grondslag.
Bij besluit van 20 september 1999 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en haar bezwaar
tegen besluit 2 gegrond verklaard, met dien verstande dat de
WAZ-uitkering van appellante over het jaar 1998 wordt uitbetaald alsof
zij 35 tot 45% arbeidsongeschikt is.
Bij uitspraak van 31 januari 2001 heeft de rechtbank Maastricht het
beroep van appellante tegen het besluit van 20 september 1999 ongegrond
verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift
van 26 mei 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 5 juli 2001.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari
2003, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde T.E.G. Pittie
en waar gedaagde zich, zoals kort tevoren telefonisch bericht, niet
heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellante is werkzaam als zelfstandig verhuurster van
vakantieappartementen. Na een haar in 1995 overkomen auto-ongeluk is zij
ernstig beperkt wat het gebruik van haar rechter arm betreft. In verband
hiermede is aan haar met ingang van 29 juni 1996 een uitkering op grond
van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De arbeidsdeskundige L.M.J. Stijnen heeft blijkens zijn rapport van 17
mei 1999 op basis van door appellante overgelegde stukken geconstateerd
dat appellante in haar aangifte inkomstenbelasting (IB) 1998 een winst
uit onderneming heeft opgegeven van f 19.919,-. Uitgaande van dit bedrag
was de arbeidsdeskundige van mening dat appellante voor de toepassing
van artikel 58 van de WAZ, op welke wet haar uitkering inmiddels was
komen te berusten, als 25 tot 35% arbeidsongeschikt was te beschouwen.
Gelet hierop heeft gedaagde besluit 1 genomen. Nadien is dit besluit
vervangen door besluit 2, waarbij is bepaald dat de uitbetaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante geschiedt naar 21% in
plaats van naar 28%, als ten onrechte in besluit 1 neergelegd, van de
voor haar geldende grondslag.
De bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom heeft een herberekening
van het maatmaninkomen van appellante uitgevoerd en is tot de conclusie
gekomen dat appellante voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ
diende te worden ingedeeld in de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse
35 tot 45%.
In beroep bij de rechtbank heeft appellante aangevoerd dat de totale
winst van haar onderneming, in de zin van hoofdstuk II, afdeling 2, van
de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), in de jaarstukken
over 1998 is vastgesteld op f 2.970,33. Om tot het totaal fiscaal
inkomen van appellante over 1998 te komen zijn aan dit bedrag toegevoegd
een "bijtelling beloning meewerkend echtgenoot" ad f 12.150,-
alsmede een "bijtelling voor privé gebruik van de auto van de
zaak" ad f 4.799,-, waarmede dit inkomen is bepaald op f 19.919,33.
Nu in artikel 1, aanhef en onder i, van de WAZ het begrip "winst
uit onderneming" wordt gedefinieerd als "winst uit onderneming
als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964" en genoemde bijtellingen daarentegen zijn
vermeld in respectievelijk afdeling 1 en afdeling 5 van hoofdstuk II van
die wet, is appellante van mening dat niet dit laatste bedrag doch het
bedrag van f 2.970,33 voor de anticumulatie krachtens artikel 58 van de
WAZ tot uitgangspunt dient te worden genomen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en
daartoe onder meer overwogen dat het (fiscale) winstbegrip in artikel 7
van de Wet IB 1964 zeer ruim is geformuleerd en de stelling van
appellante dat beide genoemde bijtellingen niet onder dit begrip vallen,
geen enkele steun vindt in de Wet IB 1964. Verder heeft de rechtbank
opgemerkt dat uit de wijze waarop het winstbegrip in de WAZ is
gedefinieerd niet mag worden afgeleid dat dit begrip beperkt is tot de
categorieën die worden genoemd in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet
IB 1964. In artikel 1, eerste lid, onder i, van de WAZ wordt slechts
verwezen naar de afdeling in de Wet IB 1964 waar dit specifieke
winstbegrip wordt gedefinieerd. Daaruit volgt geenszins dat het begrip
winst uit onderneming alleen kan bestaan uit onderdelen van deze
specifieke afdeling van de Wet IB 1964, aldus de rechtbank.
Ter zitting van de Raad heeft appellante te kennen gegeven dat niet
langer wordt betwist dat gedaagde de bijtelling voor privé gebruik van
de auto van de zaak voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ terecht
heeft betrokken bij de vaststelling van de hoogte van de haar toe te
rekenen winst uit onderneming over 1998. In geding is derhalve nog
slechts of gedaagde ook de bijtelling beloning meewerkend echtgenoot
terecht als deel van de te anticumuleren inkomsten van appellante over
1998 heeft beschouwd.
De Raad overweegt dat het in artikel 1, eerste lid, onder i, van de WAZ
omschreven begrip "winst uit onderneming" met name van
betekenis is voor de bepaling van de hoogte van de grondslag als bedoeld
in artikel 8 van de WAZ alsmede voor de bepaling van de hoogte van de
premie als bedoeld in artikel 71 en volgende van de WAZ. Dit begrip is
daarentegen niet (rechtstreeks) aan de orde bij de toepassing van
artikel 58 van de WAZ, welk artikel ziet op korting van "de
inkomsten uit arbeid". De inkomsten uit arbeid van een zelfstandige
als hier bedoeld dienen overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de
Raad ten aanzien van het soortgelijke artikel 33 van de AAW te worden
gesteld op (het aan betrokkene toekomende deel van) de fiscale
netto-winst, zijnde in dit geval f 19.919,33, tenzij gesproken moet
worden van (bijzondere) omstandigheden die aanleiding geven van dit
uitgangspunt af te wijken. Naar het oordeel van de Raad doen zich in dit
geval omstandigheden in deze laatste zin voor, waartoe als volgt wordt
overwogen.
Bij de beoordeling van het resterende geschilpunt stelt de Raad voorop
dat zich onder de stukken een (uitvoerig) rapport bevindt van de
registerarbeidsdeskundige A.L. van Summeren waarin is neergelegd dat
appellante na haar uitval in het hoogseizoen nog 17,4 uren per week, in
het seizoen nog 13,6 uren per week en in het laagseizoen nog 5,8 uren
per week werkzaam was in haar bedrijf. Voorts besloeg volgens dit
rapport de arbeid van de echtgenoot van appellante na haar uitval in
diezelfde seizoenen achtereenvolgens ongeveer 12, 9 en 6 uren per week.
De Raad heeft vooralsnog geen reden te twijfelen aan de juistheid van
deze gegevens en meent hieruit in elk geval te kunnen afleiden dat de
echtgenoot van appellante een wezenlijke arbeidsinbreng in het bedrijf
had. Deze inbreng bleef evenwel beneden het aantal uren dat minimaal
vereist is om gebruik te kunnen maken van de meewerkaftrekregeling als
bedoeld in artikel 44n van de Wet IB 1964. Voorts kon appellante geen
gebruik maken van de mogelijkheid om de werkelijke arbeidsbeloning van
haar echtgenoot af te trekken van de winst uit haar onderneming, als
geregeld in artikel 5 van de Wet IB 1964, reeds omdat het door
appellante aangehouden bedrag van de zuivere inkomsten uit de arbeid van
haar man niet ten minste gelijk was aan twee maal de basisaftrek. Een en
ander betekent dat het appellante niet mogelijk was de arbeidsinbreng
van haar man fiscaal als zodanig tot uitdrukking te brengen. Dit kan
naar het oordeel van de Raad niet wegnemen dat in de gegeven
omstandigheden niet valt te rechtvaardigen dat er ook bij de toepassing
van artikel 58 van de WAZ aan wordt voorbij gegaan dat de inkomsten uit
het bedrijf in feite ten dele aan de arbeidsinbreng van de echtgenoot
van appellante zijn toe te schrijven en de totale fiscale winst uit het
bedrijf bij die toepassing aan appellante wordt toegerekend. De door
appellante in de jaarstukken opgevoerde arbeidsbeloning voor haar man
ten bedrage van f 12.150,- acht de Raad evenwel niet in een evenwichtige
verhouding staan tot de daarbij voor appellante overblijvende winst uit
het bedrijf, gelet op hun beider inbreng aan arbeidsuren in het bedrijf.
Van een arbeidscontract waarin dit bedrag is neergelegd, is ook niet
gebleken. De Raad acht het daarom aangewezen voor de berekening van de
inkomsten die de meewerkend echtgenoot geacht kan worden te hebben
genoten analoge toepassing te geven aan het eerste lid van artikel 5 van
het Inkomensbesluit WAZ en wel door de winst uit het bedrijf te
vermenigvuldigen met de in dit lid genoemde factor X/Y.
Nu gedaagde niet in deze zin heeft gehandeld komt het bestreden besluit
evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit is in stand
gelaten, voor vernietiging in aanmerking.
De Raad tekent hierbij aan dat het gedaagde bij het opnieuw in de zaak
voorzien vrij staat de arbeidsinbreng van appellante onderscheidenlijk
haar echtgenoot in het bedrijf desgewenst nog nader te onderzoeken.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op €
1288,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en
mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van
Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2003.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|