|
Uitspraak
01/2528 WAZ, 01/5800 WAZ en 03/81 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 26 november 1999 waarbij de
uitkering van gedaagde op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 1 januari 2000 werd ingetrokken omdat gedaagde minder dan
25% arbeidsongeschikt werd geacht.
Bij uitspraak van 22 maart 2001 heeft de rechtbank Zwolle het door
gedaagde tegen het besluit van 18 oktober 2000 ingestelde beroep gegrond
verklaard en dit besluit vernietigd.
Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op bij
aanvullend beroepschrift van 7 september 2001 (met bijlage) aangevoerde
gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 1 oktober 2001.
Bij schrijven van 6 november 2001 heeft appellant de Raad een afschrift
doen toekomen van een nieuw besluit op bezwaar van diezelfde datum.
Bij brieven van 11 september 2002 (met bijlagen) en 14 november 2002
(met bijlagen) heeft appellant de hem van de zijde van de Raad gestelde
vragen beantwoord, respectievelijk desgevraagd een nader stuk
overgelegd.
Bij faxbericht van 8 januari 2003 (met bijlage) heeft appellant een
afschrift overgelegd van een op diezelfde dag gedateerd en aan gedaagde
toegezonden nieuw besluit op bezwaar.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 januari
2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.G.
de Jong, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde - met voorafgaand
telefonisch bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde, die werkzaam was als meewerkend echtgenote in een agrarisch
bedrijf, is in september 1996 uitgevallen voor haar werkzaamheden ten
gevolge van rug- en heupklachten. Appellant heeft de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag van gedaagde vastgesteld op 1 januari 1994 en
aan gedaagde per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Op 11 oktober 1999 is gedaagde in het kader van de vijfdejaars
herbeoordeling onderzocht door de verzekeringsarts A.H. Thoden van
Velzen. In zijn rapport van diezelfde datum komt deze arts tot de
conclusie dat de medische toestand van gedaagde dusdanig is dat kan
worden uitgegaan van een toestand met duurzaam benutbare mogelijkheden
ten aanzien van arbeid. De door hem aangenomen medische beperkingen
heeft hij neergelegd in het FIS-formulier van diezelfde datum.
De arbeidsdeskundige A. van Belkom heeft mede op die grondslag een
aantal voor gedaagde geschikt te achten functies geselecteerd. Op basis
van een uurloonvergelijking concludeert Van Belkom tot een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 15,3%. De door hem ter bepaling van
het mediane uurloon gehanteerde functies zijn: bloemist/verspener/medewerker
opkweekbedrijf planten, medewerker monsterafname (polikliniek) en
tandartsassistente. Zijn rapportage d.d. 26 oktober 1999 en de daarbij
behorende arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 oktober 1999 maken voorts
melding van de volgende voor gedaagde geschikte functies: caissière,
winkelbediende en telefonist/receptionist. Vervolgens heeft appellant
het in rubriek I genoemde besluit van 26 november 1999 genomen, waarbij
de inmiddels op de WAZ gebaseerde uitkering van gedaagde met ingang van
1 januari 2000 is ingetrokken.
In bezwaar heeft gedaagde aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met
de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen en de vertaling
daarvan in het belastbaarheidspatroon. Ter onderbouwing van haar
standpunt heeft gedaagde twee brieven van haar behandelend orthopedisch
chirurg dr. H.J. Mencke, alsmede een brief van haar huisarts R.A. de
Groot, overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts M.A.F.M. Peerden was van
mening dat de overgelegde brieven van de behandelend artsen medisch
inhoudelijk in het geheel geen nieuwe elementen bevatten en dat derhalve
de vastgestelde beperkingen kunnen worden gehandhaafd.
De rechtbank heeft overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat bij de
voor (thans) gedaagde geldende arbeidsbeperkingen rekening is gehouden
met het feit dat zij is aangewezen op voornamelijk zittend werk en dat
voor haar ook zodanig werk is geselecteerd. De informatie van de
orthopedische chirurg en de huisarts kon de rechtbank - kort samengevat
- niet tot een ander oordeel brengen. Met betrekking tot de
arbeidskundige component van de schatting overwoog de rechtbank dat zij
zich daarmee niet kon verenigen. Kort samengevat was de rechtbank van
oordeel dat appellant niet zonder een reductiefactor toe te passen op
het te verdienen uurloon in functies die zijn gevonden volgens stap 1 en
2 van het Besluit uurloonschatting 1999, die functies in aanmerking kan
nemen voor de bepaling van de resterende verdiencapaciteit in die
functies.
Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat de
arbeidskundige component van de schatting op een onjuiste grondslag
berust omdat op het loon van de aan gedaagde voorgehouden functies geen
reductiefactor is toegepast, bestreden.
Tevens heeft appellant aangegeven dat een herberekening van het
maatmaninkomen naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 30 mei
2000, (gepubliceerd in USZ 2000/164), leidt tot een maatmaninkomen van f
24,94 (€ 11,32) per uur, hetgeen afgezet tegen de resterende
verdiencapaciteit leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 29,4
% en derhalve tot indeling in de klasse 25 tot 35%. Appellant heeft dit,
onder intrekking van het besluit van 18 oktober 2000, vastgelegd in het
in rubriek I genoemde nadere besluit van 6 november 2001.
Bij de in rubriek I genoemde brief van 11 september 2002 heeft gedaagde
een rapportage d.d. 7 augustus 2002 overgelegd van de bezwaar
arbeidsdeskundige H. Rosing, waarin deze aangeeft dat de functies van
bloedprikker en caissière niet aan gedaagde te duiden zijn op grond van
het feit dat deze functies in wisseldienst worden vervuld. De drie
hoogst beloonde functies zijn volgens Rosing: telefonist/receptionist
(met in totaal 12 arbeidsplaatsen), bloemist/verspener/medewerker
opkweekbedrijf planten (met in totaal 15 arbeidsplaatsen en
tandartsassistente (met in totaal 7 arbeidsplaatsen). Het mediane
verdienvermogen in deze functies bedraagt f 14,69 (€ 6,66) per uur,
hetgeen afgezet tegen het in acht te nemen maatmaninkomen, leidt tot een
mate van arbeidsongeschiktheid van 41,05%. Hierdoor dient de mate van
arbeidsongeschiktheid van gedaagde per de in geding zijnde datum 1
januari 2000 te worden vastgesteld op 35 tot 45%. Met het in rubriek I
genoemde besluit van 8 januari 2003 heeft appellant dit standpunt
geformaliseerd.
Ten aanzien van het door appellant ingestelde hoger beroep overweegt de
Raad het volgende. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 16 april
2002 (gepubliceerd in USZ 2002/155) en 18 februari 2003 (01/5147 WAO,
nog niet gepubliceerd, zie bijlage) is de Raad van oordeel dat het hoger
beroep slaagt. In eerstgenoemde uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat
de (toepassing van de) regels van het Besluit uurloonschatting 1999
(hierna: BUS), te weten de regeling van de bandbreedte bij een omvang
van de maatmanarbeid van meer dan dertig uur en stap 1 van het daaraan
gekoppelde model van functieduiding, de rechterlijke toetsing kunnen
doorstaan. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen
indien de omvang van de maatmanarbeid niet méér dan dertig uur is,
maar - zoals in het onderhavige geval - valt in de in de bijlage bij het
BUS genoemde categorie 16 tot en met 30 uur per week. In bovengenoemde
uitspraak van 18 februari 2003 heeft de Raad - na te hebben overwogen
dat hij noch in de wijziging van het Schattingsbesluit per 31 december
1997, noch in de inwerkingtreding van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en
Wajong op 1 januari 1998 en evenmin in het door gedaagde op 1 april 1999
ingevoerde beleid, zoals neergelegd in de bijlage bij het BUS,
aanleiding ziet zijn vaste jurisprudentie, onder meer neergelegd in zijn
uitspraak van 19 oktober 1999, gepubliceerd in RSV 2002/2, met
betrekking tot een deeltijdwerkende voor wie niet op medische gronden
een urenbeperking geldt, in zoverre te herzien - geoordeeld dat de
overeenkomstig "Stap 2" van het BUS geselecteerde fb-code
voldoet aan de uit genoemde deeltijdjurisprudentie voortvloeiende
criteria.
Deze uitspraken impliceren dat het oordeel van de rechtbank geen stand
kan houden. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd.
De Raad zal de zaak zelf afdoen.
De Raad stelt voorop dat het feit dat het hoger beroep van appellant
beperkt is tot het hiervoor besproken arbeidskundige punt, nu het hoger
beroep slaagt, niet eraan in de weg staat dat in hoger beroep opnieuw de
medische grondslag van het bestreden besluit ter toetsing staat.
Naar echter blijkt uit hetgeen hierboven is vermeld, heeft appellant het
besluit van 18 oktober 2000 ingetrokken. De Raad stelt vast dat gedaagde
thans geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat
besluit, zodat het beroep tegen dat besluit alsnog niet-ontvankelijk
moet worden verklaard.
Nu bij de besluiten van 6 november 2001 en 8 januari 2003 niet aan de
bezwaren van gedaagde is tegemoet gekomen, stelt de Raad, op de voet van
de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb), vast dat het (hoger) beroep geacht moet worden mede betrekking te
hebben op deze beide besluiten.
Naar blijkt uit hetgeen hierboven is vermeld, handhaaft appellant niet
langer het door hem in het besluit van 6 november 2001 neergelegde
standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde per 1
januari 2000 dient te worden herzien en vastgesteld op 25 tot 35%, maar
gaat appellant er thans vanuit dat de mate van arbeidsongeschiktheid van
gedaagde per 1 januari 2000 dient te worden herzien en vastgesteld op 35
tot 45%.
In aanmerking genomen dat de Raad de grieven van gedaagde kan en zal
bespreken bij de beoordeling van het besluit van 8 januari 2003, is de
Raad van oordeel dat gedaagde geen belang heeft bij een afzonderlijke
inhoudelijke beoordeling van het besluit van 6 november 2001, zodat het
beroep, voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het
besluit van 6 november 2001, niet-ontvankelijk dient te worden
verklaard.
Met betrekking tot het besluit van 8 januari 2003 overweegt de Raad als
volgt.
Gedaagde heeft aangevoerd dat haar medische beperkingen in het door de
verzekeringsarts in oktober 1999 opgestelde belastbaarheidspatroon,
waarvan ook bij het besluit van 8 januari 2003 is uitgegaan, zijn
onderschat. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij twee brieven
d.d. 8 maart 2000 respectievelijk 13 april 2000 van haar behandelend
orthopedisch chirurg Mencke, voornoemd, overgelegd, alsmede een brief
van haar huisarts d.d. 18 juli 2000.
De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Appellant is blijkens het
opgestelde belastbaarheidspatroon op de fysieke aspecten daarvan
uitgegaan van lichte tot zware beperkingen voor gedaagde. Ook op de door
de orthopedisch chirurg in zijn brief van 13 april 2000 genoemde
aspecten staan, lopen, tillen en bukken zijn beperkingen aangenomen. Uit
diens brieven blijkt niet dat op deze aspecten zou moeten worden
uitgegaan van verdergaande beperkingen. De opmerking van de orthopedisch
chirurg dat het hem onverstandig lijkt gedaagde staand, bukkend, tillend
en lopend werk na te laten streven is voorts niet goed te rijmen met
zijn opmerking dat gedaagde zich weer normaal mag belasten. Ook uit de
brief van de huisarts kan niet worden afgeleid dat appellant de
beperkingen van gedaagde heeft onderschat.
Uit het vorenstaande volgt dat moet worden uitgegaan van de juistheid
van de medische grondslag van het besluit van 8 januari 2003. Gelet op
het feit dat de belasting die voorkomt in de drie functies die appellant
in navolging van de arbeidsdeskundige Rosing thans aan de schatting ten
grondslag heeft gelegd, blijft binnen de voor gedaagde vastgestelde
belastbaarheid, is de Raad voorts van oordeel dat gedaagde in staat is
te achten de haar voorgehouden functies te vervullen.
Vergelijking van het voor gedaagde geldende maatmaninkomen, zoals dit
blijkt uit het in rubriek I genoemde aanvullend hoger beroepschrift van
7 september 2001, met het loon dat zij nog kan verdienen met de voor
haar passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Gezien het vorenstaande dient het beroep voor zover dat geacht moet
worden te zijn gericht tegen het besluit van 8 januari 2001 ongegrond te
worden verklaard.
Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen
aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 18 oktober 2000
alsnog niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voor zover het wordt geacht te zijn gericht tegen
het besluit van 6 november 2001, niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voor zover dat wordt geacht te zijn gericht tegen
het besluit van 8 januari 2003, ongegrond.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
gedaagde het in eerste aanleg betaalde griffierecht ad € 27,23
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2003.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|