|
Uitspraak
02/131
WAZ en 02/4984 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellant na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 29 april 2001 minder
dan 25% arbeidsongeschikt was.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26
juli 2001, hierna: besluit 1, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 10 december 2001 het
beroep tegen het besluit 1 ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.
Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 17 september 2002, hierna:
besluit 2, alsnog aan appellant met ingang van 30 april 2001 een
uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 28 januari 2003, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren [in] 1945, is sedert 1978 werkzaam geweest als
zelfstandig garagehouder. In verband met omstreeks 1 mei 2000 opgetreden
klachten aan de linkerarm en -schouder heeft appellant op 11 december
2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd.
Gedaagde heeft op basis van de uitkomsten van de ingestelde
verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken aangenomen dat
appellant als gevolg van zijn beperkingen niet langer geschikt is voor
zijn eigen werk als zelfstandig garagehouder, maar nog wel in staat is
om met diverse loondienstfuncties een zodanig inkomen te verwerven dat
ten opzichte van het in aanmerking genomen maatgevende inkomen sprake is
van een verlies van verdiencapaciteit van minder dan 25%. Gedaagde heeft
op die grond aan appellante een uitkering ingevolge de WAZ met ingang
van 30 april 2001 ontzegd bij het bij besluit 1 gehandhaafde besluit in
primo van 19 maart 2001.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde in hoger beroep
twee van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten
vervallen. Op basis van de drie resterende functies heeft gedaagde de
mate van appellants arbeidsongeschiktheid vastgesteld op ruim 30%. Bij
brief van 9 september 2002 heeft gedaagde medegedeeld van mening te zijn
dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd. Vervolgens heeft gedaagde bij
besluit 2 aan gedaagde alsnog met ingang van 30 april 2001 een uitkering
ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Onder verwijzing naar de artikelen
6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gedaagde
verzocht besluit 2 in de lopende procedure te betrekken.
De Raad stelt allereerst vast dat besluit 2, hoewel de redactie van dat
besluit doet vermoeden dat het om een besluit in primo gaat, dient te
worden aangemerkt als een nieuwe beslissing op appellants bezwaar tegen
het besluit van 19 maart 2001. Nu met besluit 2 wijziging is gebracht in
besluit 1 en besluit 2 niet geheel aan appellants beroep tegemoet komt,
wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen
besluit 2.
Gezien gedaagdes mededeling dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd,
kan dat besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit 's Raads
uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat
in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is
komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat
verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van
artikel 8:73 van de Awb. Hiervan is in dit geval geen sprake. Het hoger
beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of besluit 2 in
rechte stand kan houden.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld zijn werkzaamheden als
zelfstandig garagehouder niet of nauwelijks naar behoren te kunnen
verrichten. Naar aanleiding van deze grief wijst de Raad er op dat het
feit dat gedaagde appellant ongeschikt heeft geacht voor zijn eigen
werk, onverlet laat dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid kan
worden bepaald op basis van functies in loondienst. In dit verband
verwijst de Raad naar artikel 2, eerste lid, van de WAZ, waarin - voor
zover thans van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is de
verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is
om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke
opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen. Ingevolge
artikel 2, vierde lid, van de WAZ wordt onder arbeid verstaan alle
algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is.
Met betrekking tot het medische aspect van de in geding zijnde schatting
is de Raad van oordeel dat sprake is van een zorgvuldig medisch
onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat gedaagdes
verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant voor (linker) schouder-/armsparende arbeid heeft vastgesteld op basis van een medisch
onderzoek en van appellants huisarts verkregen informatie. Voorts heeft
gedaagdes bezwaarverzekeringsarts acht geslagen op nadere informatie van
de huisarts en de behandelende orthopedisch chirurg, die voor de
pijnklachten van appellant geen duidelijke verklaring kon geven. Gezien
de beschikbare medische gegevens omtrent appellants gezondheidstoestand
ziet de Raad geen aanleiding de vastgestelde beperkingen voor onjuist te
houden.
De Raad is voorts niet gebleken dat besluit 2 berust op een onjuiste
arbeidskundige grondslag, aangezien dat besluit steunt op voldoende,
voor appellant geschikt te achten, functies met voldoende
arbeidsplaatsen. De Raad ziet ook overigens in het licht van artikel
8:69 van de Awb geen aanleiding voor het oordeel dat besluit 2 in rechte
geen stand kan houden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen besluit 2
ongegrond moet worden verklaard.
Aan de Raad is niet gebleken van aan de zijde van appellant gevallen
proceskosten die voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van Awb in
aanmerking komen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad ten slotte vast dat
het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde
griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart
2003.
(get.) K.J.S.Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|