|
Uitspraak
00/3437
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Breda van 19 mei 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen met nummers 00/2504 WAO, 00/5315
WAO, 00/5884 WW en 01/1842 WAO, behandeld ter zitting van de Raad op 14
maart 2003, waar voor appellante is verschenen mr. G.J. Knotter,
advocaat te Woerden, en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. F.W.M.
Keunen en mr. H.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv. De Raad doet thans
in dit geding afzonderlijk uitspraak.
II. MOTIVERING
Appellante was uit hoofde van haar werkzaamheden via een uitzendbureau
verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen en was daarnaast als
meewerkend echtgenote in het bedrijf van haar echtgenoot verzekerd
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Op 17 september 1998 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag
ingediend voor een bevallingsuitkering op grond van de WAZ. Bij besluit
van 19 februari 1999 heeft gedaagde appellante medegedeeld dat zij
ingevolge artikel 22 van de WAZ met ingang van 17 januari 1999 recht
heeft op een uitkering in verband met bevalling ten bedrage van ƒ 59,07
per dag, doch dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat zij met
ingang van die datum op grond van artikel 29a van de Ziektewet (ZW) een
uitkering van ziekengeld in verband met bevalling ontving die hoger is
dan de WAZ-bevallingsuitkering. Gedaagde heeft hierbij toepassing
gegeven aan artikel 59, vierde lid, van de WAZ, waarin is bepaald dat indien zowel
recht bestaat op een uitkering in verband met bevalling als bedoeld in
artikel 22 van de WAZ als op ziekengeld in verband met bevalling als
bedoeld in artikel 29a van de ZW, de uitkering in verband met bevalling
ingevolge de WAZ slechts wordt uitbetaald voorzover deze het ziekengeld
in verband met bevalling overtreft.
Bij het bestreden besluit van 18 mei 1999 heeft gedaagde het besluit van
19 februari 1999 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is (ook) in hoger beroep naar voren gebracht dat de
anticumulatiebepaling die is neergelegd in artikel 59, vierde lid, van de WAZ, rechtstreeks onderscheid maakt naar
geslacht omdat deze bepaling slechts vrouwen (nadelig) treft en door de
toepassing van deze bepaling aan vrouwen in verband met bevalling geen
volledige inkomenscompensatie wordt geboden. Appellantes gemachtigde
heeft in dit verband verwezen naar artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en naar
artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV).
De Raad stelt voorop dat het recht op uitkering in verband met bevalling
zoals ten tijde hier van belang was neergelegd in artikel 22 van de WAZ,
een voordeel bood dat was voorbehouden aan vrouwen, waarbij werd
afgeweken van de in zijn algemeenheid in de WAZ neergelegde regel dat de
verzekerde eerst na een periode van inkomensderving van 52 weken voor
een uitkering in aanmerking komt. De anticumulatie van een dergelijk
alleen aan vrouwen toekomend recht met een soortgelijke voorziening in
een andere wet - in casu artikel 29a van de ZW - kan geen ongunstige
behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen met zich meebrengen. De
Raad vindt voor dit standpunt steun in het arrest van het Hof van
Justitie van de EG van 27 oktober 1998, C-441/96, in de zaak Boyle (JAR
1999, 14).
De Raad merkt daarbij nog op dat de anticumulatiebepaling die is
opgenomen in artikel 59, vierde lid, van de WAZ past binnen het systeem
van de WAZ, waarin uitsluitend een voorziening wordt geboden in
aansluiting op uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringen en
waarbij - behoudens waar het de vrijwillige verzekering betreft -
slechts premie wordt geheven over het inkomen als (meewerkend)
zelfstandige voorzover dat een eventueel inkomen uit een
dienstbetrekking overtreft.
Met betrekking tot het beroep van appellantes gemachtigde op artikel 11
van het IVDV verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 4 januari 2000 (RSV
2000/79), waarbij hij als zijn oordeel heeft gegeven dat dit artikel
slechts een instructienorm bevat voor overheden om beschermende
maatregelen te treffen en, gelet op de beleidsvrijheid alsmede op de
bepaling van het derde lid, geen rechtstreekse werking heeft. De Raad is
geen andere bepaling van internationaal recht bekend die tot het oordeel
zou moeten leiden dat de hier aan de orde zijnde regeling aan zwangere
vrouwen een onvoldoende inkomensvoorziening bood.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|