|
Uitspraak
01/4782
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 22 augustus 2000 heeft gedaagde bepaald de uitkering van
appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) - onder handhaving van indeling in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% - in verband met inkomsten uit
arbeid met ingang van 1 januari 1999 te betalen als ware appellant 65
tot 80% arbeidsongeschikt.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens appellant gemaakte bezwaar
bij besluit van 19 december 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft het door drs. F.J. Groeliker, werkzaam bij
Accountants en Belastingadviseurs Berk te Nijmegen, namens appellant
ingestelde beroep tegen het besluit van 19 december 2000 (hierna: het
bestreden besluit) bij uitspraak van 20 juli 2001 ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellant, voornoemd, heeft op bij beroepschrift
aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 26 augustus 2003, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geschil van belang
zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant is op 1 april 1994 als gevolg van de ziekte van Hodgkin
uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig garagehouder. Na het
doorlopen van de daarvoor geldende wachttijd heeft de rechtsvoorganger
van gedaagde hem bij besluit van 31 mei 1995 met ingang van 31 maart
1995 een uitkering ingevolge de toen geldende Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, welke werd berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met inkomsten
uit arbeid is ten aanzien van appellant met ingang van 31 maart 1995
respectievelijk met ingang van 1 januari 1996 toepassing gegeven aan
artikel 33 van de AAW als ware hij 45 tot 55 onderscheidenlijk 65 tot
80% arbeidsongeschikt. Met ingang van 11 mei 1996 is de uitkering van appellant vervolgens herzien naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De uitkering werd voorts
met ingang van 29 juli 1996 herzien naar wederom 80 tot 100%, waarna
andermaal toepassing aan artikel 33 van de AAW werd gegeven, welke
toepassing met ingang van 1 januari 1997 is beλindigd. Met ingang van 1
januari 1998 is de WAZ in werking getreden en over 1998 is geen
toepassing gegeven aan artikel 58 van de WAZ. In zijn rapport van 13
juli 2000 berekende de arbeidsdeskundige P. Hupperetz aan de hand van de
jaarstukken over 1999 als inkomsten uit arbeid van appellant een bedrag
van 31.570,=. Daarbij ging hij uit van de fiscale winst van appellant
over 1999 van 24.106,=, vermeerderd met een desinvesteringsbijtelling
van 10.303,= en verminderd met een investeringsaftrek van 2.839,=.
Hupperetz stelde voorts het verlies aan verdiencapaciteit over 1999 vast
op 69,18%, waarna gedaagde het primaire besluit van 22 augustus 2000
nam. Dit besluit werd na de bezwaarprocedure, waarin appellant zich op
het standpunt stelde dat gedaagde de desinvesteringsbijtelling evenals
hij had gedaan met de eind 1999 gerealiseerde stakingswinst bij de
bepaling van de in aanmerking te nemen inkomsten buiten beschouwing
diende te laten, gehandhaafd. Daarbij wees gedaagde onder andere op de
bijzondere regeling van de desinvesteringsbijtelling in artikel 11a van
de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als correctie achteraf op eerder
teveel genoten investeringsaftrek.
In beroep heeft de gemachtigde van appellant zich in de eerste plaats op
het standpunt gesteld dat appellant als beherend vennoot in de [naam
vennootschap] (hierna: de [vennootschap]), waarvan hij zijn aandeel
onder had gebracht in de maatschap met zijn echtgenote, sedert de
vaststelling van zijn volledige arbeidsongeschiktheid in 1995 geen
werkzaamheden in de [vennootschap] verrichtte. In 1999 ontving de
maatschap van appellant en zijn echtgenote uit de [vennootschap] geen
arbeidsbeloning, een negatieve rentevergoeding ter zake van ieders
aandeel in het kapitaal in de [vennootschap] van 1.101,= en een
overwinstaandeel volgens het [vennootschap]-contract van 24.223,=,
tezamen 23.122,=. Voorts werd een vergoeding van de [vennootschap]
van 13.964,= voor het ter beschikking stellen van een bedrijfspand
ontvangen, hetgeen het totaal brengt op 37.086,=. Van dit bedrag kwam
volgens het maatschapscontract 65%, zijnde 24.105,= aan appellant
toe. Nu voorts de inkomsten, welke bij de toepassing van artikel 58 van
de WAZ in aanmerking moeten worden genomen, moeten voortvloeien uit
arbeid en appellant deze niet heeft verricht dient de jaarwinst evenals
de stakingswinst buiten beschouwing te worden gelaten. Hetzelfde geldt,
aldus de gemachtigde, ook voor de desinvesteringsbijtelling, waarvoor
appellant evenmin arbeid heeft verricht.
In het verweerschrift in eerste aanleg heeft gedaagde zich op het
standpunt gesteld dat de omstandigheid dat appellant slechts
commanditair vennoot in de [vennootschap] was, niet hoeft te betekenen
dat hij geen arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ zou verrichten.
Volgens gedaagde mag, nu appellant zijn aandeel in de [vennootschap] per
31 december 1999 heeft overgedragen, worden aangenomen dat daaraan de
nodige - als arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ aan te merken -
onderhandelingen zijn voorafgegaan. In dit verband wees gedaagde tevens
op de door appellant gemaakte fiscale keuze in 1999 door de door hem
genoten winst als winst uit onderneming en niet als winst uit vermogen
aan te merken. Ten slotte wees gedaagde er op dat nog moet worden
onderzocht of de genoten vergoeding voor het ter beschikking stellen van
een bedrijfspand als inkomsten uit arbeid dient te worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden
besluit ongegrond. Volgens haar is het aan appellant toegerekende
winstaandeel uit de [vennootschap] terecht aangemerkt als inkomsten
arbeid als bedoeld in artikel 58 van de WAZ. In dit verband wees de
rechtbank op de vaste jurisprudentie van de Raad ten aanzien van artikel
33 van de AAW, welke naar haar oordeel ook voor de toepassing van
artikel 58 van de WAZ geldt en welke inhoudt dat bij de vaststelling van
inkomsten uit arbeid in beginsel uitgegaan dient te worden van het (aan
de betrokkene toekomende) deel van de nettowinst in fiscale zin.
Blijkens de aangifte inkomstenbelasting 1999 bedroeg appellants aandeel
uit de maatschap in de winst uit binnenlandse onderneming 24.106,=,
waarbij het niet aftrekbare deel van de gemengde kosten en de
desinvesteringsbijtelling werden opgeteld en de investeringsaftrek
werd afgetrokken. De rechtbank achtte het voorts niet aannemelijk dat
aan appellant een winstaandeel uit de [vennootschap] werd toegekend
zonder enige arbeidsinbreng. Wat betreft de desinvesteringsbijtelling
onderschreef de rechtbank met de overweging dat in het geheel niet hoeft
vast te staan dat daar arbeid tegenover heeft gestaan, in feite het
standpunt van gedaagde. Ten slotte achtte de rechtbank ook de door
gedaagde vastgestelde hoogte van de inkomsten uit arbeid van appellant
over 1999, uitgaande van de aangifte van appellant over dat jaar, niet
onjuist, waarbij zij buiten bespreking liet de betekenis van de tijdens
de beroepsprocedure ter sprake gekomen vergoeding voor het ter
beschikking stellen van een bedrijfspand, nu het bestreden besluit niet
mede daarop zag.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn in eerste aanleg
voorgedragen standpunten in essentie herhaald, hetgeen gedaagde
zijnerzijds eveneens in zijn verweerschrift deed. Daarbij wees gedaagde
er nog op dat volgens de jurisprudentie van de Raad (uitspraak van 18
december 2001, USZ 2002, 28) een verzekerde in beginsel kan worden
gehouden aan de door hem gemaakte fiscale keuze, mits de verzekerde de
inkomsten heeft genoten wegens verrichte arbeid (uitspraak van 7
november 2000, USZ 2001, 2).
De Raad onderschrijft in grote lijnen de hiervoor samengevat weergeven
overwegingen, alsmede het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad acht, er
overigens van uitgaande dat appellant commanditair en niet beherend
vennoot in de [vennootschap] was, het in dit geval niet aannemelijk dat
de toekenning van een winstaandeel aan appellant uit de [vennootschap]
in 1999 is geschied zonder enige arbeidsinbreng van zijn kant. De Raad
wijst er op dat ook in 1996, toen appellant reeds commanditair vennoot
in de [vennootschap] was, ten aanzien van hem het toen geldende artikel
33 van de AAW is toegepast. Voorts acht ook de Raad het aannemelijk dat
aan de overdracht van appellants aandeel in de [vennootschap] in 1999
onderhandelingen zijn voorafgegaan, waarvan de aanmerking als arbeid,
mede in het licht van het feit dat appellant in zijn aangifte voor de
inkomstenbelasting voor 1999 als aftrekbare kosten de post
"Beroeps- en verwervingskosten" heeft opgevoerd, de Raad niet
onjuist voorkomt. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding om - in
afwijking van zijn vaste jurisprudentie - in dit geval te oordelen dat
appellant ten aanzien van zijn inkomsten niet zou mogen worden gehouden
aan de door hem uit zijn aangifte over het jaar 1999 blijkende fiscale
keuzes.
Wat betreft de desinvesteringsbijtelling heeft de Raad geen aanleiding
gezien daaromtrent in het geval van appellant over het jaar 1999 tot een
ander oordeel te komen dan hij heeft neergelegd in zijn uitspraak van 2
januari 2002 (RSV 2002, 102) over die bijtelling betreffende het jaar
1996. Inzake deze bijtelling onderschrijft de Raad derhalve het
standpunt van gedaagde in het bestreden besluit en het in de aangevallen
uitspraak gegeven oordeel ter zake.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan
houden en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2003.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|