|
Uitspraak
00/1050
WAZ
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21a van de Beroepswet inzake de kosten van
het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[verzoekster], wonende te [woonplaats], gedaagde, thans verzoekster.
I. INLEIDING
Bij schrijven van 20 december 2002 heeft appellant het door hem
ingestelde hoger beroep ingetrokken.
Bij schrijven van 28 januari 2003 heeft C. Dik, werkzaam bij INGRE/BTB,
(hierna: Dik) als gemachtigde van verzoekster het bij brief van 22
oktober 2002 - in het kader van eerder verleende toestemming als bedoeld
in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om het onderzoek
ter zitting achterwege te laten - gedane verzoek appellant in de
proceskosten te veroordelen, nader toegelicht.
Appellant heeft zich, onder andere in zijn bovengenoemde brief van 20
december 2002, gekeerd tegen de verzochte veroordeling in de
proceskosten, daarbij twijfels uitsprekend ten aanzien van de
beroepsmatigheid van de verleende rechtsbijstand.
Naar aanleiding van een schrijven van de Raad van 18 maart 2003, waarin
werd verzocht om nader aan te geven in hoeverre het verlenen van
rechtsbijstand tot de doelstelling van INGRE/BTB behoort, heeft Dik de
Raad bij schrijven van 17 april 2003 medegedeeld van mening te zijn in
deze zaak als deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b,
van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) te zijn opgetreden en
dat de door hem aan verzoekster in rekening gebrachte kosten om die
reden voor vergoeding in aanmerking komen. Voor het geval de Raad van
oordeel zou zijn dat hij niet als deskundige is opgetreden, heeft Dik
verzocht zijn werkzaamheden voor verzoekster te scharen onder artikel 1,
aanhef en onder a, van het Bpb.
Bij schrijven van 20 juni 2003 heeft appellant - onder overlegging van
stukken - gesteld dat Dik de partner is van verzoekster en dat om die
reden niet kan worden gesproken van beroepsmatig verleende
rechtsbijstand. Voorts heeft appellant onder verwijzing naar
jurisprudentie zich verzet tegen het standpunt van Dik dat hij is aan te
merken als deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van
het Bpb. Uit de door appellant meegestuurde stukken blijkt dat Dik in
ieder geval sinds 11 januari 2002 op hetzelfde adres woonachtig is als verzoekster.
Verzoekster heeft desgevraagd bij brief van 30 juli 2003 bevestigd dat
Dik haar partner is.
Bij schrijven van 27 augustus 2003 heeft Dik de Raad onder andere
meegedeeld dat zijn zakelijke relatie met verzoekster eind 2001
veranderde in een persoonlijke relatie en dat op 21 november 2001 een
samenlevingscontract is getekend tussen hem en verzoekster, waarna hij
zich begin januari 2002 tezamen met verzoekster officieel heeft
gevestigd op het huidige adres.
Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend
voor afdoening buiten zitting.
II. MOTIVERING
Met artikel 21a van de Beroepswet is aan de Raad de bevoegdheid gegeven
om in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan,
op verzoek van een partij dat orgaan bij afzonderlijke uitspraak met
overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in
de proceskosten.
Blijkens de in rubriek I vermelde brieven heeft (de gemachtigde van)
verzoekster verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten in
hoger beroep, bestaande uit het totaal van de door Dik vanaf 4 oktober
2000 aan de zaak bestede uren (waaronder ook de tijd gemoeid met de
aanwezigheid ter zitting van de Raad gehouden op 22 februari 2002)
vermenigvuldigd met het door hem gehanteerde uurtarief en opgehoogd met
19% BTW.
De Raad is van oordeel dat doorslaggevende betekenis moet worden
toegekend aan het feit van de partnerrelatie van Dik met verzoekster. De
Raad concludeert derhalve dat in het onderhavige geval geen sprake is
van een deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het
Bpb omdat Dik - vanwege zijn partnerrelatie met verzoekster - niet als
onpartijdig is te beschouwen.
Om dezelfde reden is evenmin sprake van beroepsmatig verleende
rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb.
Voor zover verzoekster vergoeding van kosten heeft gevorderd die zijn
gemaakt vσσr het ontstaan van de partnerrelatie overweegt de Raad dat
deze evenmin voor vergoeding in aanmerking komen omdat, voor zover al
sprake is van in deze procedure verrichte proceshandelingen als vermeld
in de bijlage bij het Bpb, verzoekster deze stukken op eigen naam heeft
ingediend en naar vaste jurisprudentie van de Raad voor een door
betrokkene op eigen naam ingediend beroep- of verweerschrift geen
vergoeding van proceskosten kan worden toegekend, ook al is dit
beroepschrift door of met hulp of na advies van een professioneel
rechtshulpverlener opgesteld.
Voor zover uit het door (gemachtigde van) verzoekster ingediende
statusoverzicht moet worden afgeleid dat vergoeding wordt gevorderd van
verletkosten overweegt de Raad dat deze niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Artikel 1 onder d, van het Bpb voorziet slechts in de
mogelijkheid van vergoeding van verletkosten van een partij. In dit
geval gaat het echter om verletkosten van de gemachtigde van
verzoekster, terwijl verzoekster op de zitting van de Raad van 22
februari 2002 in persoon aanwezig was.
In het licht van het vorenstaande acht de Raad geen termen aanwezig voor
een proceskostenveroordeling.
De namens verzoekster gevorderde veroordeling van appellant om het
betaalde griffierecht ad 77,14 te vergoeden komt niet voor
toewijzing in aanmerking omdat dat griffierecht niet is betaald in het
kader van het onderhavige hoger beroep maar in het kader van het door
verzoekster ingestelde - en bij uitspraak van de Raad van 5 april 2002
(01/1494 WAZ) afgehandelde - hoger beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank Breda van 17 januari 2000.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek appellant te veroordelen in de proceskosten van
verzoekster af.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid
van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14
november 2003.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
|
|