|
Uitspraak
01/3726
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellante na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 12
oktober 2000, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond
dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 25% is.
Bij besluit van 9 november 2000 heeft gedaagde het namens appellante
door T.L. Kok, verbonden aan het fiscaal adviesburo Ton Kok, gevestigd
te Kampen, gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 mei 2000 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 20 juni 2001 het namens
appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 9 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellante is op bij beroepschrift met bijlagen aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft nadien, in vervolg
op dat verweerschrift, een rapportage van zijn bezwaararbeidsdeskundige,
gedateerd 8 oktober 2001, ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 18 november 2003, waar partijen - gedaagde met voorafgaand
bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor zover voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang, gaat de
Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante, die samen met haar echtgenoot een veehoudersbedrijf
exploiteert, heeft op 16 februari 2000 bij gedaagde een aanvraag
ingediend voor een uitkering ingevolge de WAZ, in verband met een vanaf
18 oktober 1999 bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg
van spier- en gewrichtsklachten. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij
voorafgaande aan het intreden van haar klachten ongeveer 40 uur per week
werkzaam was in het eigen bedrijf en dat zij sedertdien nog hooguit
circa 15 uur per week werkt, waarbij zij zich dient te beperken tot de
fysiek lichtere bedrijfstaken.
Gedaagdes verzekeringsarts heeft de eerste arbeidsongeschiktheidsdag
bepaald op 15 oktober 1999 en heeft de beperkingen van appellante
neergelegd in een FIS-formulier. Gedaagdes arbeidsdeskundige heeft
geconcludeerd dat appellante, gegeven die beperkingen, ten dele
ongeschikt is te achten voor de eigen maatgevende werkzaamheden, maar
nog wel in staat is om met diverse loondienstfuncties een zodanig
inkomen te verwerven dat zij in vergelijking met haar maatgevende
inkomen geen verlies aan verdiencapaciteit lijdt.
In lijn met deze verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling
heeft gedaagde bij het primaire besluit van 18 mei 2000 geweigerd om appellante voor de gevraagde WAZ-uitkering in
aanmerking te brengen, op de grond dat zij met ingang van 12 oktober
2000 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
In geding is de vraag of het bestreden besluit, waarbij het besluit van
18 mei 2000 in bezwaar is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.
Het van de zijde van appellante tegen de onderhavige besluitvorming naar
voren gebrachte bezwaar bestaat hieruit dat zij de opvatting is
toegedaan dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid ten onrechte is
bepaald aan de hand van loondienstfuncties. Zij ontkent op zich niet
dat zij ten tijde in dit geding van belang in staat was tot het
verrichten van de werkzaamheden die aan die functies zijn verbonden,
maar zij is de mening toegedaan dat van een zelfstandige zoals zij - die
nog ten dele werkzaam is in het eigen bedrijf - niet kan worden verlangd
die werkzaamheden op te geven en in loondienst te gaan werken. De vraag
of, en zo ja in welke mate, zij arbeidsongeschikt is dient naar de
zienswijze van appellante dan ook uitsluitend te worden beantwoord aan
de hand van (haar resterende geschiktheid voor) werkzaamheden in de
eigen onderneming.
De rechtbank heeft zich met het opgestelde belastbaarheidspatroon kunnen
verenigen en heeft de bij de schatting in aanmerking genomen functies
aangemerkt als medisch geschikt en als berekend voor de bekwaamheden van
appellante. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het van
toepassing zijnde wettelijke arbeidsongeschiktheidscriterium en naar
door gedaagde genoemde vaste rechtspraak, appellantes grief verworpen
dat bij de schatting ten onrechte loondienstfuncties in ogenschouw zijn
genomen.
Gegeven de inhoud van het namens appellante ingediende beroepschrift,
waarin namens appellante uitsluitend de hiervoor omschreven grief met
betrekking tot de gevolgde schattingsmethodiek is herhaald, ziet de Raad
aanleiding zijn beoordeling tot die grief te beperken.
In navolging van de rechtbank is de Raad van oordeel dat bedoelde grief
niet kan slagen. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 11
maart 2003, gepubliceerd in USZ 2003/172, laat het feit dat een
verzekerde ongeschikt is voor de eigen werkzaamheden als zelfstandige
onverlet dat de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAZ
wordt bepaald op basis van functies in loondienst. In dit verband heeft
de Raad in die uitspraak verwezen naar artikel 2, eerste lid, van de WAZ
waarin, voor zover van belang, is bepaald dat arbeidsongeschikt is
degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg
van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met
arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke
opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen alsmede naar
artikel 2, vierde lid, van de WAZ, ingevolge welke bepaling onder arbeid
wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde
met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Naar aanleiding van hetgeen dienaangaande namens appellante naar voren
is gebracht overweegt de Raad nog dat er, gelet op de hiervoor genoemde
wettelijke WAZ-bepalingen, geen grond bestaat om anders te oordelen in
het geval - zoals dat zich ten aanzien van appellante voordoet - een
betrokkene nog ten dele geschikt is voor de maatgevende arbeid en ook
nog feitelijk in het eigen bedrijf werkzaam is. In dit verband wijst de
Raad ook nog op zijn uitspraak van 5 juli 1996, gepubliceerd in RSV
1997/26, waarin de Raad heeft overwogen dat de in het tot 1 augustus
1993 gegolden hebbende wettelijke arbeidsongeschiktheidscriterium van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet opgenomen voorwaarde dat de arbeid
tevens, gelet op de opleiding en het vroeger beroep van de verzekerde,
aan hem in billijkheid moest kunnen worden opgedragen - welke voorwaarde
de wettelijke basis vormde voor de rechtspraak van de Raad dat aan
doorwerkende zelfstandigen met een nog substantiële resterende
verdiencapaciteit in het eigen bedrijf in redelijkheid geen functies in
loondienst konden worden opgedragen - niet langer deel uitmaakt van het
arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat vanaf genoemde datum geldt. De
Raad voegt daaraan toe dat vorenomschreven voorwaarde evenmin deel
uitmaakt - en nimmer deel heeft uitgemaakt - van het
arbeidsongeschiktheidscriterium op grond van de WAZ.
Nu zich, ten slotte, in het geval van appellante evenmin de situatie
voordoet als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder h, van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarin een schatting op
basis van de feitelijke verdiensten leidt tot een lagere mate van
arbeidsongeschiktheid dan de op basis van theoretische functies bepaalde
mate van arbeidsongeschiktheid - de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellante is immers reeds bepaald op minder dan 25% - concludeert de
Raad dat gedaagde terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellante heeft beoordeeld aan de hand van haar geschiktheid voor
loondienstfuncties.
Het hoger beroep van appellante slaagt aldus niet. De aangevallen
uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2003.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|