|
Uitspraak
01/1719
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 22 februari 1999 heeft appellant gedaagde medegedeeld
dat de bevallingsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), waarop gedaagde
vanaf 31 december 1998 recht heeft, in verband met haar bruto-inkomsten
per dag uit arbeid niet wordt uitbetaald.
Het door gedaagde tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij
besluit van 5 oktober 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft het namens gedaagde ingestelde beroep
tegen het besluit van 5 oktober 1999 (hierna: het bestreden besluit) bij
uitspraak van 31 januari 2001 gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit
geheel in stand blijven. De rechtbank heeft daarbij voorts beslissingen
gegeven omtrent vergoeding aan gedaagde van griffierecht en
proceskosten.
Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij beroepschrift aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 februari 2003,
waar namens appellant is verschenen mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uwv,
en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geschil van belang
zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde was werkzaam als zelfstandige en daarnaast in loondienst toen
haar zwangerschapsverlof op 1 januari 1999 inging. Aan de handhaving bij
het bestreden besluit van het primaire besluit van 22 februari 1999 met
betrekking tot de aanvraag van gedaagde om een bevallingsuitkering
ingevolge de WAZ heeft appellant ten grondslag gelegd dat, indien recht
bestaat op zowel een bevallingsuitkering ingevolge de WAZ als op
ziekengeld in verband met bevalling als bedoeld in artikel 29a van de
Ziektewet (ZW), op grond van artikel 59, vierde lid, van de WAZ - zoals
dit artikellid voor de inwerkingtreding op 1 december 2001 van de Wet
van 16 november 2001, Stb. 2001,568, luidde - de eerstgenoemde uitkering
wordt uitbetaald voorzover deze laatstgenoemde uitkering overtreft. In
het primaire besluit had appellant vastgesteld dat zulks in het geval
van gedaagde niet aan de orde was.
Naar aanleiding van het beroep van gedaagde, waarin zij zich onder
andere op het standpunt stelde dat appellant bij het bestreden besluit
van een te laag dagloon was uitgegaan, heeft de rechtbank vastgesteld
dat appellant in verband met artikel 24, derde lid, van de WAZ - zoals
dit voor 1 december 2001 gold - in verbinding met artikel 8, zevende
lid, van de WAZ en uitgaande van een voor gedaagde berekende grondslag
van f 113,42 per dag op basis van de winstcijfers van het boekjaar 1997
de grondslag terecht heeft bepaald op f 106,09 per dag, zijnde 100% van
de grondslag welke ten hoogste het minimumloon bedraagt. Omdat in de
bezwaarschriftprocedure de boekjaargegevens over 1998 volgens de
rechtbank bij appellant bekend hadden kunnen zijn en niet gebleken was
dat appellant deze bij het nemen van het bestreden besluit op enigerlei
wijze heeft laten meewegen, kwam de rechtbank tot het oordeel dat het
bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) was genomen en heeft zij dit besluit om die reden
vernietigd. Vervolgens stelde de rechtbank vast dat ook bij vergelijking
van de inkomsten uit loondienst in 1998 met de winst uit onderneming
over dat jaar de bevallingsuitkering op grond van de ZW hoger zou liggen
dan die uitkering op grond van de WAZ. In verband met de
anticumulatieregeling van artikel 59, vierde lid, van de WAZ zag de
rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit na
vernietiging geheel in stand te laten. Voorts achtte de rechtbank
overeenkomstig artikel 8:75 van de Awb termen aanwezig appellant te
veroordelen in de redelijkerwijs gemaakte proceskosten van gedaagde,
welke de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht
berekende aan de hand van de in aanmerking te nemen proceshandelingen
van de gemachtigde van gedaagde.
In hoger beroep heeft appellant in de eerste plaats gesteld dat de
rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd omdat zij
buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden, nu het bezwaar en het
beroep van gedaagde uitdrukkelijk gericht waren tegen de anticumulatie
als zodanig en niet tegen de berekening daarvan. Appellant heeft voorts
aangevoerd dat, ook indien in de bezwaarprocedure wel zou zijn uitgegaan
van de jaarcijfers over 1998, op voorhand zou vaststaan dat, gelet op de
hoogte van de uitkering ingevolge de ZW, ook volledig geanticumuleerd
zou moeten worden. Volgens appellant zou immers bij een lagere winst
over 1998 de grondslag lager worden en zou bij een hogere winst de
grondslag niet boven de maximering ingevolge de WAZ uitkomen. Met
betrekking tot zijn veroordeling tot vergoeding aan gedaagde van haar
proceskosten beriep appellant zich op de uitspraak van de Raad van 20
september 2000 (JB 2000,332), waarin de toepassing van artikel 8:75 van
de Awb achterwege was gebleven.
De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat de rechtbank in de
aangevallen uitspraak met de beoordeling van de in aanmerking te nemen
gegevens bij de vaststelling van de voor gedaagde geldende grondslag
voor de berekening van haar bevallingsuitkering ingevolge de WAZ niet is
getreden buiten de omvang van het geding en derhalve niet in strijd is
gekomen met artikel 8:69 van de Awb. De Raad neemt daarbij in aanmerking
dat, ook indien de gronden van het beroep in eerste aanleg zich in de
eerste plaats richten tegen de anticumulatie als zodanig, de
berekeningsgrondslag daarmee steeds in zodanig verband staat dat met een
beoordeling daarvan niet wordt getreden buiten de omvang van het geding.
De Raad stelt, nog afgezien hiervan, vast dat in het beroepschrift in
eerste aanleg van gedaagde was aangegeven dat zij zich niet kon
verenigen met het bestreden besluit omdat daarbij van een te laag
dagloon was uitgegaan.
De Raad overweegt voorts dat in het geval van gedaagde reeds op voorhand
in verband met de voor de vaststelling van de grondslag en de
anticumulatie geldende dwingende bepalingen in de WAZ vaststond dat, ook
indien bij de vaststelling van die grondslag de juiste gegevens in
aanmerking zouden zijn genomen, dit niet tot een ander resultaat zou
hebben geleid dan in het bestreden besluit is vastgelegd. In een
dergelijke situatie dient naar het oordeel van de Raad de rechtbank
vernietiging van het bestreden besluit en instandlating van de
rechtsgevolgen daarvan achterwege te laten. Met betrekking tot de
veroordeling van appellant in de proceskosten van gedaagde, is de Raad
tenslotte van oordeel dat daarvoor op de voet van artikel 8:75 van de
Awb al geenszins aanleiding bestond om reden dat in het proces-verbaal
van de zitting van de rechtbank op 21 december 2000 is vermeld dat de
gemachtigde van gedaagde niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
Gelet op al het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden
vernietigd en het inleidend beroep ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij in hoger beroep ziet de Raad tenslotte geen aanleiding
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 maart
2003.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|