|
Uitspraak
01/2792
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 25 februari 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellante
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellante na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 27 februari 1998
minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Gedaagde heeft - ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank
Haarlem van 17 augustus 2000 - het namens appellante tegen dit besluit
gemaakte bezwaar bij besluit van 18 oktober 2000 gegrond verklaard en
aan appellante met ingang van 28 februari 1998 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Wat betreft de
berekening van deze uitkering heeft gedaagde voorts vastgesteld dat de
uitkering is gebaseerd op de grondslag van f 104,66 en 70% van f 104,66
= f 73,26 bruto per uitkeringsdag bedraagt.
De rechtbank Haarlem heeft het door mr. L.H.S. Schipper, werkzaam bij
DAS Rechtsbijstand, namens appellante ingestelde beroep tegen het
besluit van 18 oktober 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij
mondelinge uitspraak van 3 april 2001 ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellante heeft tegen deze uitspraak op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld. Bij brief van
18 september 2001 heeft de gemachtigde, voornoemd, een aanvulling op de
gronden van het hoger beroep gegeven.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2003,
waar appellante en haar gemachtigde - laatstgenoemde met kennisgeving -
niet zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.J.M.A.
Clerx, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft naar aanleiding van het beroep tegen het bestreden
besluit vastgesteld dat het geschil zich toespitst op de vraag of
gedaagde de grondslag van de bij het bestreden besluit aan appellante
toegekende uitkering ingevolge de WAZ op juiste wijze heeft vastgesteld
en heeft die vraag - onder verwijzing naar met name het voorschrift van
artikel 8, zevende lid, van de WAZ, volgens welke die grondslag ten
hoogste het minimumloon bedraagt - bevestigend beantwoord. Daarbij heeft
de rechtbank er op gewezen dat blijkens het bestreden besluit en een
daarbij behorende bijlage, waarvan de rechtbank tot uitgangspunt heeft
genomen dat deze bij het bestreden besluit was gevoegd, gedaagde de
WAZ-uitkering van appellante heeft gebaseerd op het wettelijk
minimumloon.
In de hiervoor in rubriek I vermelde aanvulling op het hoger beroep
heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat appellante, uitgaande
van de feitelijke winstcijfers over de referteperiode, gegronde redenen
heeft om te twijfelen aan de juistheid van de berekening door gedaagde
van het dagloon en dat de vaststelling van het dagloon en niet de
grondslag het punt van geschil is. Een nadere onderbouwing met
betrekking tot evenbedoelde twijfel heeft de gemachtigde evenwel niet
ingebracht.
De Raad stelt vast dat noch in artikel 8 van de WAZ, voor zover dit
artikel in verband met artikel XIII, vierde lid, van de Invoeringswet
nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet van 24 april
1997, Stb. 178) op de datum in geding op appellante van toepassing is,
noch in artikel 10 van de met ingang van 1 januari 1998 ingetrokken
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), voor zover deze bepaling in
verband met artikel XIII, tweede lid, van evengenoemde Invoeringswet op
appellante van toepassing is gebleven, sprake is van berekening van de
uitkering op basis van het dagloon maar van berekening van die uitkering
naar de grondslag van - ten hoogste - het minimumloon.
De Raad komt, gelet op het vorenoverwogene en ook indien de gemachtigde
van appellante zou worden gevolgd in haar omschrijving van het punt van
geschil in hoger beroep, tot geen andere conclusie dan dat op de in de
aangevallen uitspraak aangegeven overwegingen het beroep van appellante
terecht ongegrond is verklaard.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2003.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|