|
Uitspraak
01/5030
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 augustus 2000 heeft gedaagde appellant per 29
september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Tevens
heeft gedaagde appellant bij genoemd besluit meegedeeld dat zijn
uitkering in verband met inkomsten uit arbeid niet wordt uitbetaald.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar
ongegrond is verklaard bij besluit op bezwaar van 19 februari 2001
(hierna: het bestreden besluit).
De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 2 augustus 2001, reg.nr.
AWB 01/217, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. A. Kraag, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, op
bij beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 januari 2004, waar
appellant niet is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen
door zijn gemachtigde, mr. J.Z. Groenenberg, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig frietkraamhouder en heeft
zijn werkzaamheden op 1 oktober 1999 gestaakt wegens diverse klachten.
Appellant heeft zijn frietkraam aan de parkeerplaats het Veerse Gatdam
te Kamperland in het jaar 2000 verhuurd aan een van zijn zoons. Het
andere verkooppunt aan de Banjaardweg werd reeds eerder verhuurd.
Aan het in rubriek I van deze uitspraak genoemde besluit van 17 augustus
2000 ligt een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige
beoordeling ten grondslag volgens welke appellant weliswaar beperkingen
ondervond bij het verrichten van arbeid maar met die beperkingen
geschikt werd geacht voor werkzaamheden verbonden aan door de
arbeidsdeskundige geselecteerde functies van metaalperser-bediende (fb-code 8364), samensteller elektrotechniek (fb-code 8539) en
lederwarenmaker (fb-code 8030). Vergelijking van de mediane loonwaarde
van de drie genoemde functies met de hoogste lonen met het voor
appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in een
verlies aan verdiencapaciteit van 30,87%. Tevens heeft gedaagde
appellant bij genoemd besluit meegedeeld dat de uitkering niet wordt
uitbetaald omdat appellant inkomsten uit arbeid geniet.
Het hiertegen gemaakte bezwaar werd bij het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Gedaagde heeft het niet uitbetalen van de uitkering in het
bestreden besluit nader gemotiveerd met artikel 55, derde lid, van de
WAZ, op grond waarvan de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt opgeschort indien gedaagde op grond van duidelijke aanwijzingen
van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat het recht op
uitkering niet of niet meer bestaat of recht op een lagere uitkering
bestaat.
Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij haar uitspraak
van 2 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Appellant voert in hoger beroep aan dat zijn beperkingen zijn onderschat
door gedaagde en dat hij geen inkomsten uit arbeid maar uit verhuur
heeft genoten.
Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar
oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
De Raad zal allereerst ingaan op de vraag of gedaagde aan appellant per 29 september 2000 terecht een WAZ-uitkering heeft toegekend berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%
De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig
is geweest.
De verzekeringsarts H.G. van Loon heeft blijkens zijn rapport van 5 juni
2000 dossieronderzoek gedaan en een anamnese afgenomen. In de bijlage
van zijn rapport is een belastbaarheidsprofiel van appellant opgenomen.
Bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz komt in haar rapport van 15 februari 2001 tot een
bevestiging van de bevindingen van de primaire verzekeringsarts nadat
zij lichamelijk onderzoek naar de klachten van appellant heeft gedaan.
In haar rapport heeft zij vermeld dat zij bij het lichamelijk onderzoek
een geringe zwelling aan de rechter laterale enkel en een ganglion aan
de linker pols heeft gevonden. Zij acht appellant beperkt bij het
gebruik van de rechter enkel met name ten aanzien van de aspecten lopen,
staan, traplopen en klimmen. Tevens heeft zij een geringe
bewegingsbeperking geconstateerd van de heupen. Bij het onderzoek heeft
de bezwaarverzekeringsarts geen afwijkingen kunnen vinden aan de
schouder en rug. Zij heeft evenals de verzekeringsarts daarvoor dan ook
geen specifieke beperkingen kunnen vaststellen. De
bezwaarverzekeringsarts is van mening dat appellant niet geschikt kan
worden geacht voor heel zwaar werk en voor werk met een omvang van meer
dan 8 uur per dag, hetgeen ook de verzekeringsarts had aangegeven in het
door hem opgestelde belastbaarheidsprofiel. Daarnaast wordt appellant
aangewezen geacht op werk zonder contact met klanten. De Raad heeft geen
aanknopingspunten aangetroffen voor twijfel aan de juistheid van de
medische grondslag van het bestreden besluit. Daarbij heeft hij laten
wegen dat appellant zijn stellingen dat hij verdergaand beperkt moet
worden geacht dan aangenomen door de (bezwaar)verzekeringsarts, niet
voorzien van een medische onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt. Gelet
op het voorgaande heeft de Raad evenmin aanleiding om te twijfelen aan
de passendheid van de appellant voorgehouden functies.
Voorts is aan de orde de vraag of de uitbetaling van de uitkering
terecht is opgeschort.
De Raad is van oordeel dat de ten tijde van het nemen van het bestreden
besluit beschikbare gegevens, een voldoende feitelijke basis vormden
voor het vermoeden dat het recht op uitkering niet meer bestond zoals
bedoeld in artikel 55, derde lid, onder b, van de WAZ, waaronder ook
dient te worden begrepen de niet-betaling van de uitkering op grond van
korting in verband met inkomsten uit arbeid. De arbeidsdeskundige A.R. Moet heeft blijkens zijn rapport van 27 juni 2000 geconstateerd dat
voor het jaar 2000 een inkomen werd verwacht van minimaal f. 25.000,00.
Dit bedrag betreft de huuropbrengsten welke niet privé, doch via de
onderneming worden geïnd.
De arbeidsdeskundige heeft in genoemd rapport vermeld dat appellant
hieraan bedrijfsmatige beheersactiviteiten heeft. Tijdens de
bezwaarprocedure heeft appellant een nota van april 2000 overgelegd
betreffende een totale huursom inclusief BTW van f. 25.703,00 voor het
jaar 2000 van de aan een van zijn zoons verhuurde standplaats. De
bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 22 februari 2001
vermeld dat het fiscale inkomen van betrokkene vóór het intreden van
zijn arbeidsongeschiktheid is gevormd door de exploitatie van 2
verkooppunten, deels verhuurd. Gelet op het voorgaande en mede gezien de
verwachting dat de huuropbrengsten het maatmaninkomen zouden
overstijgen was naar het oordeel van de Raad het vermoeden dat
appellants inkomsten als inkomsten uit arbeid vatbaar waren voor korting
en dat deze korting zou leiden tot fictieve indeling in de
arbeidsongeschiktheidsklasse lager dan 25%, op voldoende feitelijke
gegevens gebaseerd.
Met gedaagde en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat
appellants inkomsten uit verhuur als inkomsten uit arbeid in de zin van
artikel 58 van de WAZ moeten worden aangemerkt. Zoals de Raad eerder
heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2001,
gepubliceerd in RSV 2001/150, is voor de toepassing van genoemd artikel
vereist dat de in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid zijn
verkregen. De Raad overweegt voorts dat volgens zijn vaste
jurisprudentie bij het beantwoorden van de vraag of een zelfstandige in
zijn bedrijf arbeid heeft verricht in beginsel de in het kader van de
fiscale wetgeving gemaakte keuze van betrokkene tot uitgangspunt dient
te worden genomen. In dat kader is van belang dat de arbeidsdeskundige
volgens zijn rapport van 27 juni 2000 niet is gebleken van stakingswinst
met betrekking tot het vanaf 2000 verhuurde verkooppunt. Gedaagde
beschikte daarmee over voldoende gegevens voor het vermoeden dat de
huuropbrengst over 2000 als winst uit onderneming zou worden
verantwoord, waarvoor ten minste enige arbeid zou worden verricht.
Volgens de door gedaagde aan de rechtbank overgelegde jaarstukken over
2000 zijn de huuropbrengsten overigens ook daadwerkelijk als winst uit
onderneming verantwoord. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan
in het onderhavige geval zou moeten worden afgeweken van evenvermeld
uitgangspunt inzake het belang dat toekomt aan de door de betrokkene in
het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze, is de Raad niet
gebleken.
Gelet op het voorgaande heeft gedaagde terecht toepassing gegeven aan
artikel 55, derde lid, onder b van de WAZ. Hieraan doet niet af dat
gedaagde ter zitting heeft verklaard dat aan appellant over de in geding
zijnde periode alsnog uitkering is betaald omdat achteraf is gebleken
dat geen toepassing kon worden gegeven aan artikel 58 van de WAZ.
De beoordeling van een opschortingsbesluit als hier aan de orde dient
immers te geschieden aan de hand van de situatie ten tijde van het nemen
van dat besluit en niet aan de hand van latere ontwikkelingen.
Gelet op al het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april
2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|