|
Uitspraak
01/6431
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers
verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede
verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het
bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Namens appellant heeft mr. A.C. Blankesteijn, advocaat te Hengelo, op
daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 november 2001 (reg.nr.
01/408 WAZ Q1 a), waarnaar hierbij wordt verwezen. Vervolgens is namens
appellant nog een brief van de belastingdienst in het geding gebracht.
Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 april 2004, waar
appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Blankesteijn,
voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 8 juli 1994 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te
kennen. Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag van appellant 22 oktober 1992 aangemerkt moet
worden en dat appellant in het jaar voorafgaand aan die datum geen
inkomen heeft ontvangen uit of in verband met het verrichten van arbeid
in het bedrijfs- of beroepsleven. Tegen dit besluit heeft appellant geen
rechtsmiddelen aangewend.
Namens appellant is in maart 1998 aan gedaagde verzocht om alsnog met
ingang van 22 oktober 1992 een uitkering ingevolge de AAW aan hem toe te
kennen, omdat appellant in het jaar voorafgaand aan die datum wel
inkomsten heeft genoten uit de onderneming "[naam CV]" in de
vorm van onder andere een bestuursvergoeding. Ter ondersteuning van dit
verzoek zijn enkele stukken overgelegd, waaronder een verklaring namens
[naam CV], gedateerd 23 juni 1992, en een kopie van een aangiftebiljet
inkomstenbelasting van appellant over het jaar 1991, waarin - onder meer
-
is vermeld dat appellant aan "provisie" of als
"vergoeding" f 12.000,- heeft ontvangen van [naam CV].
Bij besluit van 8 maart 1999 heeft gedaagde afwijzend beslist op het
verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 8 juli 1994,
omdat niet was gebleken van relevante nieuwe feiten. Bij beslissing op
bezwaar van 8 september 1999 heeft gedaagde de bezwaren van appellant
tegen het besluit van 8 maart 1999 ongegrond verklaard, overwegende dat
weliswaar nieuwe feiten zijn aangeleverd, maar dat die geen aanleiding
geven het eerder ingenomen standpunt te herzien. Daarbij is overwogen
dat bij de belastingdienst geen gegevens bekend zijn met betrekking tot
de aangifte van appellant over 1991.
Nadat de rechtbank bij uitspraak van 20 april 2000 het beroep van
appellant tegen het besluit van 8 september 1999 gegrond had verklaard,
omdat het onvoldoende draagkrachtig was gemotiveerd, heeft gedaagde
nader onderzoek verricht bij de belastingdienst en de gemeentelijke
sociale dienst te Hengelo. Uit dat onderzoek is gebleken dat de Rww-uitkering van appellant per 1 januari 1991 is beλindigd in verband
met het eigen bedrijf van appellant, waarna in juni 1992 wederom een Rww-uitkering aan hem is toegekend, en dat bij de belastingdienst geen
gegevens over appellant bekend zijn over de jaren 1991 en 1992. Bij
beslissing op bezwaar van 12 april 2001, hierna: het bestreden besluit,
heeft gedaagde het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard, overwegende dat appellant onvoldoende aannemelijk
heeft gemaakt dat hij in het jaar voorafgaande aan zijn
arbeidsongeschiktheid inkomensvormende arbeid heeft verricht.
De Raad overweegt het volgende.
Voorop moet worden gesteld dat gedaagde bij het bestreden besluit heeft
geweigerd terug te komen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit
van 8 juli 1994. Een dergelijke weigering kan slechts terughoudend door
de bestuursrechter worden getoetst. Zoals al eerder is overwogen, onder
meer in de uitspraken gepubliceerd in RSV 2004, nrs. 87 t/m 91, hanteert
de Raad in een geval als het onderhavige thans de volgende
toetsingsnorm.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere
afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij
het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het
bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat
daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van
deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de
weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit.
Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de
bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke
afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag is namens appellant
aangevoerd dat uit de daarbij overgelegde gegevens blijkt dat hij in het
jaar voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid wel
inkomen uit of in verband met arbeid heeft verworven. Daargelaten de
vraag of deze gegevens aangemerkt kunnen worden als nieuw gebleken
feiten of veranderde omstandigheden is de Raad van oordeel dat op grond
daarvan niet aangenomen kan worden dat appellant in 1991 inkomen uit
arbeid heeft verworven. Daarbij wijst de Raad erop dat uit het hiervoor
overwogene voortvloeit dat appellant dient aan te tonen dat toentertijd
enig inkomen is verworven. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat uit
de overgelegde gegevens niet met zekerheid afgeleid kan worden dat
appellant in 1991 werkzaam is geweest en daarmee enig inkomen heeft
verdiend. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat bij de
belastingdienst geen gegevens omtrent appellant bekend zijn uit 1991 en
1992, zodat alleen op grond van de het overgelegde aangifteformulier
niet aangenomen kan worden dat inkomen uit onderneming is verworven.
Verder ontbreken naar 's Raads oordeel - de meest basale - controleerbare
gegevens omtrent de aard en omvang van de onderneming "de Honingpot
CV" en omtrent de rol die appellant vervuld zou hebben binnen die
onderneming.
Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd
dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft
kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met
een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen
rechtsbeginsel. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|