|
Uitspraak
02/283
WAZ en 02/372 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 april 2000 heeft gedaagde de aan appellant naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% toegekende uitkering ingevolge
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) van 1
januari 1998 tot en met 31 december 1998 uitbetaald als was sprake van
een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%, zulks in verband met
appellants verdiensten uit het verrichten van werkzaamheden gedurende
die periode.
Bij besluit van 3 mei 2000 heeft gedaagde van appellant als aan
appellant van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 onverschuldigd
betaalde WAZ-uitkering teruggevorderd een bedrag van f 2.445,64 bruto.
Bij besluiten van 21 mei 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellant tegen de beide evenvermelde besluiten.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 30 november 2001, kenmerk
01 / 778 en 01/886 WAZ K1, het beroep van appellant tegen de beide
besluiten van 21 mei 2001 (hierna: de bestreden besluiten) ongegrond
verklaard.
Tegen deze uitspraak is namens appellant hoger beroep ingesteld op bij
aanvullend beroepschrift van 25 februari 2002 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 11 april 2002, ingediend,
aangevuld bij brief van 21 mei 2002 (met bijlage).
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 maart
2004. Appellant is - met kennisgeving - niet verschenen. Voor gedaagde
is verschenen P.M.W. van der Helm, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant heeft in 1990 zijn als zelfstandige gevoerde, voornamelijk
akker- en tuinbouw omvattende bedrijf ingebracht in een maatschap die
hij samen met zijn zoon heeft gevormd. Sinds aan appellant een
arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 65-80% is toegekend, wordt jaarlijks bezien of in verband met zijn
inkomsten uit het verrichten van werkzaamheden in dat bedrijf aanleiding
bestaat die uitkering uit te betalen naar een lager percentage.
Zo ook heeft gedaagde wat 1998 betreft ingevolge artikel 58 van de WAZ
de zogeheten fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse bepaald en wel op
55-65%. Daarbij is gedaagde uitgegaan van het door appellant over 1998
aan de fiscus als aan hem toekomende winst opgegeven bedrag. Gedaagde
heeft dat bedrag verminderd met de investeringsaftrek en vervolgens het
resterende bedrag (f 82.501,07) gedeeld in twee gelijke delen, aangezien
appellant en zijn echtgenote hadden opgegeven dat zij in 1998 ieder
gemiddeld 25 uur per week werkzaamheden in het bedrijf hadden verricht.
Dusdoende heeft gedaagde aan appellant over 1998 als winst toegerekend
een bedrag van f 41.250,54 dat, afgezet tegen appellants maatmaninkomen,
leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van 58%.
Appellant heeft in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat in de aan de
fiscus opgegeven winst f 56.492,41 is verdisconteerd als rentevergoeding
over de boekwaarde buitenmaatschappelijke bedrijfsbalans, wat betekent
dat die inkomsten zijn genoten uit privι-vermogen buiten de maatschap
om en derhalve geen inkomsten uit arbeid zijn als bedoeld in artikel 2,
vierde lid, van de WAZ. Appellant is dan ook van mening dat zijn
persoo-lijk inkomen over 1998 dient te worden gesteld op f 13.004,33,
welk bedrag leidt tot een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van
86,93%, zodat korting niet aan de orde is.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat in lijn met de jurisprudentie van de Raad inzake
toepassing van het aan artikel 58 van de WAZ soortgelijke artikel 33 van
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet in een geval als het onderhavige
bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid in beginsel dient te worden
uitgegaan van de winst die door de belanghebbende overeenkomstig de door
deze gemaakte fiscale keuze in het kader van de inkomstenbelasting is
aangegeven als inkomsten. Van (bijzondere) omstandigheden op grond
waarvan de fiscale keuze bij toepassing van artikel 58 van de WAZ niet
(in redelijkheid) tot uitgangspunt had kunnen worden genomen, is de
rechtbank in het geval van appellant niet gebleken, waarbij in
aanmerking is genomen dat appellant niet ondubbelzinnig heeft aangetoond
dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming was met de fiscale
keuze, terwijl daarnaast uit de stukken blijkt dat appellant wel
degelijk werkzaamheden in het bedrijf heeft verricht.
In hoger beroep heeft appellant in essentie hetzelfde aangevoerd als in
beroep bij de rechtbank.
De Raad deelt volledig het oordeel van de rechtbank en schaart zich
achter de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde
overwegingen. De Raad heeft de door de rechtbank aangehaalde
jurisprudentie nadien nog bevestigd bij zijn uitspraak van 14 maart
2003, kenmerk 01/1749 WAZ, (gepubliceerd in USZ 2003/155). Hierbij
tekent de Raad aan dat appellant in zijn aangifte inkomstenbelasting
1998 als inkomen uit onderneming een "winstaandeel maatschap
Bormans" van f 105.221,07 heeft opgegeven. Daarmee is niet zonder
meer gezegd dat het daarbij gaat om inkomsten uit arbeid, maar gedaagde
is daarvan naar het oordeel van de Raad niet ten onrechte uitgegaan,
immers, appellant heeft zelf aangegeven in 1998 gemiddeld 25 uur per
week werkzaamheden in het bedrijf te hebben verricht. Wat het aanmerken
van vergoeding van rente als inkomsten uit arbeid betreft wijst de Raad
op zijn uitspraak van 8 januari 2002, kenmerk 00/4812 AAW, (LJN
AD9980). Appellant heeft - zoals in het in die laatstgenoemde uitspraak
aan de orde zijnde geval - ervoor gekozen de rentevergoeding aan hem
over 1998 tegenover de fiscus te verantwoorden als onderdeel van het aan
hem toekomende deel van de door de maatschap gemaakte winst, welke een
rentevergoeding van 6% van de door appellant aan de maatschap ter
beschikking gestelde activa omvat. Echter, niet is staande te houden dat
gedaagde ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat zonder die terbeschikkingstelling de maatschap niet zou hebben kunnen functioneren.
Aangezien, gelet op het vorenstaande, het hoger beroep van appellant
niet kan slagen en geen aanleiding bestaat tot veroordeling van gedaagde
in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J. Th.
Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid
van drs. T.R.H. van Roekel als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 7 mei 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|