|
Uitspraak
02/492
WAZ en 02/556 WAZ
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant, tevens gedaagde,
hierna te noemen: appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde, tevens appellant, hierna te noemen:
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze
gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit I van 25 maart 1999 heeft gedaagde met ingang van 2 februari
1998 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij besluit II van 25 maart 1999 heeft gedaagde aan appellant een
maatregel opgelegd van 20% over de periode van 2 februari 1998 tot 15
augustus 1998 omdat de uitkering niet is aangevraagd binnen negen
maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 24 maart 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde de bezwaren tegen de besluiten I en II van 25 maart 1999
ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 13 december 2001, nr. AWB
00/808 WAZ, het beroep tegen het bestreden besluit voorzover daarbij de
toekenning van een WAZ-uitkering per 2 februari 1998 naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% is bevestigd, ongegrond verklaard
en, voorzover daarbij het opleggen van een maatregel ter hoogte van 20%
is bevestigd, gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre
vernietigd, een en ander met bijkomende bepalingen inzake vergoeding van
proceskosten en griffierecht.
Namens appellant is mr. A.H.J. Raaijmakers, advocaat te Culemborg, op
bij aanvullend beroepschrift van 15 februari 2002 aangevoerde gronden,
van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 19 maart 2002 ingediend.
Ook gedaagde heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld. De
gronden van dat beroep zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van
19 februari 2002.
Namens appellant is een verweerschrift d.d. 14 maart 2002 ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
2 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. Raaijmakers, voornoemd en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
02/492 WAZ
Appellant, zelfstandig directeur meubelgroothandel, heeft een aanvraag,
gedateerd 18 mei 1998 en ontvangen door gedaagde op 22 mei 1998, ingediend om
toekenning van een uitkering ingevolge de WAZ ter zake van op 3 februari
1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
slaapapneusyndroom. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarbij de
verzekeringsarts H.J. Fokkink appellant heeft onderzocht en deze arts
tevens telefonisch overleg heeft gehad met appellants huisarts, en na
arbeidskundig onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 25 maart 1999
appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
De bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers heeft, op basis van in
bezwaar overgelegde informatie van de behandelende sector, appellant
aanvullend beperkt geacht ten aanzien van de psychisch belastende
factoren 'conflicterende functie-eisen' en 'conflicthantering', alsmede
voor het verrichten van werkzaamheden in wisselende dienst.
De bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga heeft de voor appellant
geselecteerde arbeidsmogelijkheden opnieuw bezien en is tot de conclusie
gekomen dat er nog voldoende functies resteren voor vaststelling van de
theoretische verdiencapaciteit op 50%.
Daarop heeft gedaagde het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit als
juist aanvaard en in de voorhanden zijnde medische stukken geen
aanknopingspunten kunnen vinden voor verdergaande beperkingen. De
rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er voldoende passende functies
zijn, die zijn te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid, waartoe
appellant met zijn krachten en bekwaamheden in staat is zodat appellant
terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat hij ten gevolge
van slaapapneu, psychische klachten en diabetes ernstiger beperkt is
dan door gedaagde is aangenomen.
Appellant acht het onderzoek van gedaagde onvoldoende zorgvuldig en
heeft gewezen op het, in beroep overgelegde, rapport van 25 september
2001 van C. Dik, arbeidsdeskundige, opgesteld in opdracht van De
Amersfoortse Verzekeringen N.V.
Met de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde medische gegevens
onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit
in medisch opzicht op een ontoereikende grondslag berust en in zoverre
onzorgvuldig is voorbereid. De Raad acht hierbij van belang dat het
oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts is gebaseerd op eigen onderzoek
en informatie uit de behandelende sector, terwijl appellant zijn
stelling dat hij verdergaand beperkt had moeten worden niet met medische
gegevens heeft onderbouwd. Aan de rapportage van Dik, voornoemd, kan de
Raad reeds gelet op het feit dat het hier gaat om de zienswijze van een
niet-medicus, niet de betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht
wil zien.
Ook wat betreft het arbeidskundige aspect van de in geding zijnde
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is de Raad niet gebleken dat het
oordeel van gedaagde op een onjuiste grondslag berust. Vergelijking van
het voor appellant geldende maatmaninkomen met het loon dat hij nog kan
verdienen met de voor hem passend te achten werkzaamheden resulteert in
een mate van arbeidsongeschiktheid gelegen tussen de 45 en 55%.
02/556 WAZ
Gedaagde heeft bij besluit van 25 maart 1999 aan appellant een maatregel
opgelegd van 20% over de periode van 2 februari 1998 tot 15 augustus
1998 omdat de uitkering niet is aangevraagd binnen negen maanden na
aanvang van de arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank heeft het volgende overwogen (voor "eiser" dient
"appellant" te worden gelezen):
"Bij haar beoordeling van de mate waarin eiser het te laat
aanvragen verweten kan worden, betrekt de rechtbank de omstandigheden
waarin eiser heeft verkeerd ten tijde van en voorafgaand aan de
aanvraag. Eiser verkeerde in moeilijke omstandigheden vanwege de
combinatie van zijn gezondheidsproblemen, ingrijpende familiaire
gebeurtenissen en de liquidatie van zijn bedrijf. In deze omstandigheden
in onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank voldoende aanleiding
aan te nemen dat er sprake is geweest van een verminderde
verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het
Maatregelenbesluit. Om die reden komt het bestreden besluit tot het
opleggen van een maatregel van 20% voor vernietiging in
aanmerking".
Gedaagde heeft aangevoerd dat appellant tijdig zijn particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft benaderd en dat appellant door
zijn tussenpersoon is gewezen op de noodzaak van het doen van een
WAZ-aanvraag binnen negen maanden. Gelet hierop kan er naar de mening
van gedaagde geen sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid ten
aanzien van het doen van de te late aanvraag.
De Raad kan op grond van hetgeen gedaagde in hoger beroep heeft
aangevoerd niet tot de conclusie te komen dat het oordeel van de
rechtbank, dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid ter zake de
te late aanvraag van de WAZ-uitkering onjuist is.
Daarbij acht de Raad van belang dat de omstandigheden waar de rechtbank
rekening mee heeft gehouden niet zijn betwist en niet is gebleken dat
deze onjuist zijn. Voorts laat het feit dat een andere uitkering eerder
is aangevraagd onverlet dat er sprake kan zijn van verminderde
verwijtbaarheid ten aanzien van het te laat aanvragen van de onderhavige
WAZ-uitkering.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger
beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor de in zaak 02/556 WAZ
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 409,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.H. Uri als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|