|
Uitspraak
01/3949
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 oktober 1999 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8 december 1999
ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellant is afgenomen naar minder dan 25%.
Bij besluit van 7 maart 2000 heeft gedaagde het namens appellant tegen
evenvermeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 15 juni 2001, reg.nr.
AWB 00/3281 WAZ, het namens appellant door mr. J.J.M. Brouwer, advocaat
te 's-Gravenhage, ingestelde beroep tegen het besluit van 7 maart 2000,
hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft de neuroloog J. Heerema bij rapport van 3
februari 2004 als deskundige omtrent appellant gerapporteerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 maart 2004, waar
appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar namens
gedaagde is verschenen mr. W. de Rooij-Bal, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als zelfstandig loodgieter/dakdekker, toen hij op
1 oktober 1997 als gevolg van een hersenbloeding uitviel. Gedaagde heeft
appellant met ingang van 30 september 1998 in aanmerking gebracht voor
een uitkering ingevolge de WAZ, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het bij het bestreden besluit
gehandhaafde besluit van 13 oktober 1999 heeft gedaagde die uitkering
met ingang van 8 december 1999 ingetrokken. Aan gedaagdes besluitvorming
ligt ten grondslag het standpunt van gedaagde dat voor appellant
weliswaar beperkingen vallen aan te geven, zoals neergelegd in het
belastbaarheidspatroon van 24 september 1999, welke hem - kennelijk -
niet langer geschikt doen zijn voor de eigen maatgevende werkzaamheden
als zelfstandig loodgieter/dakdekker, maar die niet in de weg staan aan
het verrichten van andere werkzaamheden, behorende bij door de
arbeidsdeskundige geselecteerde en op de arbeidsmogelijkhedenlijst van
eveneens 24 september 1999 opgenomen loondienstfuncties, met welke
functies appellant nog een zodanig inkomen kan verwerven dat ten
opzichte van het maatgevende inkomen sprake is van een verlies aan
verdiencapaciteit van 10,4%.
Appellant heeft, samengevat weergegeven, in beroep naar voren gebracht
dat door gedaagde onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten. De
hersenbloeding is, aldus appellant, het gevolg geweest van zijn
epilepsie. Hij heeft nog steeds last van epilepsie en daarnaast ervaart
hij cognitieve en vermoeidheidsklachten als gevolg van de doorgemaakte
hersenbloeding. Voorts heeft hij last van klachten aan de schouders,
knieën en rug en van psychische klachten in verband met een
problematische thuissituatie (zijn echtgenote is manisch-depressief).
Vanwege het geheel van die klachten acht appellant zich in elk geval
niet in staat om gedurende hele dagen te werken. Voorts meent appellant
dat hij niet in staat is tot het vervullen van de bij de schatting in
aanmerking genomen functies, gelet op de daaraan verbonden belastende
aspecten en in het bijzonder ook gelet op de omstandigheid dat in die
functies sprake is van overschrijdingen van de voor hem vastgestelde
belastbaarheid. Daarnaast heeft appellant bezwaren tegen het
vastgestelde maatmaninkomen. Hij is de opvatting toegedaan dat gedaagde
ten onrechte de drie jaren voorafgaande aan het jaar van het intreden
van de arbeidsongeschiktheid als maatgevende jaren in aanmerking heeft
genomen, in welk verband hij erop heeft gewezen dat juist in die periode
de winst van zijn bedrijf onder druk heeft gestaan als gevolg van de
ziekte van zijn echtgenote.
De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat
gedaagde niet van de juiste medische beperkingen is uitgegaan. Voorts
heeft de rechtbank overwogen dat in de rapportage van gedaagdes
verzekeringsarts van 7 januari 2000 afdoende is gemotiveerd waarom
appellant, ondanks de bij diverse functies voorkomende markeringen,
desalniettemin die functies kan vervullen. Ten slotte heeft de rechtbank
overwogen dat niet is gebleken van redenen waarom het inkomen van
appellant over de jaren 1994, 1995 en 1996 niet als maatstaf zou mogen
gelden.
Appellant heeft zijn hiervoor weergegeven grieven in hoger beroep
herhaald. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen om
de mate van zijn arbeidsongeschiktheid te beoordelen. Met name gezien
het feit dat, aldus appellant, bij alle geduide functies sprake is van
overschrijdingen van zijn belastbaarheid welke beslist niet afdoende
gemotiveerd zijn verklaard door de verzekeringsarts van gedaagde, meent
appellant dat een nader onderzoek door een deskundige, hetzij een
neuroloog, hetzij een arbeidsdeskundige, op zijn plaats is.
Zoals blijkt uit rubriek I heeft de Raad aanleiding gevonden om een
deskundige in te schakelen. De neuroloog J. Heerema heeft in zijn
rapport van 3 februari 2004 verslag gedaan van zijn bevindingen en de
door de Raad gestelde vragen beantwoord. Hij is tot de conclusie gekomen
dat bij appellant op de in geding zijnde datum 8 december 1999 sprake is
van een status na interhemisferaal subduraal hematoom, epileptiforme
aanvallen en chronische lage rugklachten. Daarvan uitgaande kan de
deskundige zich verenigen met de door de verzekeringsarts van gedaagde
vastgestelde belastbaarheid. Voorts is appellant naar zijn oordeel op de
datum in geding in staat tot het - in een volledige werkweek -
verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de door de
arbeidsdeskundige van gedaagde geselecteerde functies. De deskundige
Heerema heeft aan die conclusies nog toegevoegd dat het hem bekend is
dat er in de thuissituatie bij appellant geen ideale situatie bestaat,
maar dat hij op grond van de te objectiveren beperkingen geschikt is te
achten voor de geduide functies. Een nader onderzoek door een andere
deskundige werd door Heerema niet nodig geoordeeld.
De Raad heeft geen aanleiding om in afwijking van de in zijn rechtspraak
ontwikkelde hoofdregel met betrekking tot het belang dat toekomt aan een
door de rechter geraadpleegde onafhankelijk deskundige, de deskundige
Heerema in evenvermelde conclusies niet te volgen. De Raad heeft daarbij
nog in aanmerking genomen dat het rapport van de deskundige blijk geeft
van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek, terwijl de
conclusies, aan de hand van relevante medische inzichten, op een
overtuigende wijze zijn onderbouwd. Voor de Raad staat aldus genoegzaam
vast dat gedaagde bij het nemen van het bestreden besluit van de juiste
medische beperkingen is uitgegaan, en voorts dat gedaagde appellant
terecht in staat heeft geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn
verbonden aan de bij de schatting in aanmerking genomen functies. Nu de
deskundige Heerema, na kennisname van de aan die functies verbonden
belastende factoren, expliciet tot het - blijkens het bovenstaande door
de Raad juist geachte - oordeel is gekomen dat appellant die functies
moet kunnen vervullen, is het belang komen te ontvallen aan een
beoordeling van de namens appellant opgeworpen grief dat de
verzekeringsarts van gedaagde in gebreke is gebleven afdoende te
verklaren waarom appellant, ondanks de bij die functies voorkomende
markeringen, daarvoor toch geschikt moet worden geacht.
Voorts sluit de Raad zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat er
onvoldoende aanknopingspunten zijn om af te wijken van de - ook in dit
geval door gedaagde gevolgde - hoofdregel inzake de ter vaststelling van
het maatmaninkomen van een zelfstandige in aanmerking te nemen
refertejaren. De van de zijde van appellant benadrukte omstandigheid dat
in de drie jaren voorafgaande aan het jaar van het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid de winst uit zijn bedrijf onder druk heeft gestaan
als gevolg van zijn problematische thuissituatie, vormt daartoe althans
een ontoereikende grond.
Het hiervoor overwogene betekent evenwel niet dat het bestreden besluit
in rechte stand kan houden. Gedaagdes gemachtigde heeft ter zitting van
de Raad naar voren gebracht dat een aantal van de bij de schatting in
aanmerking genomen functies bij nader inzien niet als
schattingsgrondslag kunnen dienen om reden dat in die functies toeslagen
zijn opgenomen voor werken op afwijkende arbeidstijden, terwijl niet is
kunnen blijken dat het maatgevende inkomen van appellant ook een
dergelijke toeslag kent. De overige functies, hoewel ook deze blijkens
de arbeidsmogelijkhedenlijst op zich in wisselende diensten dienen te
worden uitgevoerd, zouden, aldus gedaagde, een dergelijke toeslag niet
kennen, in verband waarmee deze laatstbedoelde functies nog wel voor de
schatting kunnen blijven worden gebruikt. De mate van
arbeidsongeschiktheid op basis van die resterende functies zou, aldus de
gemachtigde, uitkomen op 25 tot 35%. De Raad onthoudt zich van een
oordeel met betrekking tot de juistheid van dit laatste - nog niet in
enig besluit neergelegde - standpunt van gedaagde en beperkt zich tot de
vaststelling dat het bestreden besluit, nu dat niet langer kan worden
geacht het door gedaagde juist bevonden standpunt inzake de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant op de in geding zijnde datum weer te
geven, voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen
uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 966,- voor verleende rechtsbijstand.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit zal nemen op het bezwaar van
appellant met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van
Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|