|
Uitspraak
02/1793
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 11 februari 2000 heeft gedaagde aan appellante per 31
oktober 1998 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35-45% toegekend.
Tegen dit besluit heeft appellante een bezwaarschrift ingediend.
Hangende de behandeling van het beroep van appellante tegen het
uitblijven van een besluit op haar bezwaarschrift, heeft gedaagde bij
besluit op bezwaar van 21 september 2001 het bezwaar van appellante gegrond verklaard met dien
verstande dat appellante per 31 december 1997 voor 35-45%
arbeidsongeschikt is verklaard, maar dat aan haar voor het eerst per 26
april 1998 (in verband met de indiening van de aanvraag op 27 april
1999) een WAZ-uitkering wordt toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 8 februari 2002,
kenmerk AWB 00/7148 WAZ, het beroep van appellante tegen het uitblijven
van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (wegens geen
belang meer), met een proceskostenveroordeling, en voorts het beroep
van appellante tegen het besluit van 21 september 2001 (het bestreden
besluit) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante wat de ongegrondverklaring
betreft hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift van 4
april 2002 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 14 mei 2002, ingediend.
Bij brief van 29 mei 2002 heeft appellante daarop commentaar gegeven.
Bij brieven van 4 juni 2002 en 18 juni 2002 (met bijlagen) heeft
gedaagde gereageerd op het commentaar van appellante.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april
2004. Voor appellante is verschenen R.T. van Baarlen, werkzaam bij De
Fiscount Adviesgroep, gevestigd te Zwolle. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren in 1955, was sinds 1982 - volgens haar opgave 35 uur
per week - werkzaam in het varkensvermeerderingsbedrijf dat zij samen
met haar echtgenoot (sedert 1990 in maatschapsverband) exploiteerde,
toen zij voor haar werkzaamheden in dat bedrijf met klachten over
verergerde pijn in de lage rug en het rechterbeen op 1 januari 1997
geheel uitviel.
Naar aanleiding van de door haar op 27 april 1999 ingediende aanvraag om
een WAZ-uitkering is appellante op 5 november 1999 onderzocht door de
verzekeringsarts J.H.M.B.M. van Hoeij die in het die dag opgestelde
belastbaarheidspatroon rug- en beengerelateerde beperkingen van dien
aard, ernst en omvang heeft vermeld dat zij tot het verrichten van haar
eigen rugbelastende werkzaamheden nog maar beperkt in staat was te
achten, daarbij abusievelijk uitgaande van 1 november 1997 als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag. Met inachtneming van die beperkingen heeft
de arbeidsdeskundige F.D. Kooistra op 20 januari 2000 op dat moment op
de arbeidsmarkt voorkomende functies geselecteerd en aan appellante
voorgehouden die naar zijn mening door appellante kunnen worden vervuld
en die hem via een theoretische schatting hebben gebracht tot de
conclusie dat appellante - gegeven een maatmaninkomen van f 16,31 en een
mediaanloon van f 9,75 (met een reductiefactor van 0,50) bruto per uur -
per 31 oktober 1998 voor 35-45% arbeidsongeschikt is te beschouwen. Bij
besluit van 11 februari 2000 is aldus beslist.
Gedaagde heeft het thans bestreden besluit genomen na kennisneming van
de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts J.P.J. Gielen van 11
september 2000, die appellante op 11 september 2000 op zijn spreekuur
heeft gehad en toen de beschikking had over door appellante aangedragen
gegevens van haar huisarts over de periode van 4 juni 1993 tot en met 29
juni 2000 en van de haar behandelend orthopedisch chirurg P.W. Pavlov
alsook over het rapport van de adviserend verzekeringsarts L.W.P. van
der Beek van 28 september 2000, de rapporten van de
bezwaararbeidsdeskundige W. Drent van 17 november 2000 en 18 juni 2001
en het verslag van het overleg tussen de bezwaarverzekeringsarts G.J.A.
van Kasteren - van Delden en de bezwaararbeidsdeskundige Drent op 18
juni 2001.
Daarbij is gedaagde nader uitgegaan van 1 januari 1997 als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag, 31 december 1997 als eerste dag in
aansluiting op de wachttijd van 52 weken, een maatmaninkomen van f 16,80
bruto per uur op basis van 35 uur per week alsook drie op 31 december
1997 actuele functies met een (met 0,54) gereduceerd mediaanloon van f
10,65, wat heeft geresulteerd in een verlies aan verdiencapaciteit van
36,6%. Bij het bestreden besluit is aldus beslist met als bijgestelde
toekenningsdatum 26 april 1998.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard, van oordeel dat wat zowel de
verzekeringsgeneeskundige als de arbeidskundige kant betreft dat
besluit de toets der kritiek kan doorstaan.
In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de uitspraak van
de Raad van 27 november 2001, kenmerk 99/4184 AAW (USZ 2002, 47),
aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat ten
onrechte geen gegevens bij de behandelend sector zijn ingewonnen. Niet
is in te zien, aldus appellante, dat zonder zorgvuldig medisch onderzoek
- louter vanwege het ontbreken van een medische urenbeperking - op grond
van de jurisprudentie van de Raad inzake de bandbreedtemethode mag
worden aangenomen dat zij na het intreden van de arbeidsongeschiktheid
tot meer uren arbeid per week in staat was te achten dan in gezonde
toestand. De functies inpakster koekjes met 36 en printplatenmonteur met
39 uur per week hadden dan ook niet in de theoretische schatting mogen
worden betrokken. De functie telefoniste/receptioniste is niet geschikt
vanwege het vereiste MAVO-opleidingsniveau, omdat de door appellante
gevolgde MAVO-, HAVO- en PABO-opleidingen zijn afgerond (de PABO zonder
diploma) in respectievelijk 1973, 1975 en 1978, terwijl de functie
chauffeur bestelauto niet geschikt is vanwege afwijkende werktijden. Het
niet hebben kunnen voorhouden aan appellante van voldoende functies in
de urenomvang van de maatmanfunctie impliceert dat het mediane uurloon
voor toepassing van de reductiefactor moet worden gemaximeerd op het
maatmanuurloon, aldus tot slot appellante.
De Raad overweegt het volgende.
Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit wat de medische
component betreft worden gedragen door hetgeen daaraan uit
verzekeringsgeneeskundig oogpunt ten grondslag is gelegd.
Op het onderzoek door de verzekeringsarts Van Hoeij is wellicht af te
dingen dat hij ten onrechte (zij het bewust en gemotiveerd) heeft
nagelaten gegevens bij de behandelend sector op te vragen, maar
daartegenover staat dat appellante in de bezwaarfase medische gegevens
uit die sector heeft aangedragen en dat die gegevens vervolgens in de
beoordeling zijn betrokken. Enige aanwijzing dat bij gedaagde bekend was
of kon en moest zijn dat op dat moment elders nog medische gegevens over
appellante voorhanden waren die niet buiten beschouwing hadden mogen
blijven, ontbreekt en ook voor het doen instellen van een nader medisch
onderzoek door een medisch specialist als deskundige van de rechtbank of
als deskundige van de Raad ontbraken respectievelijk ontbreken de
benodigde indicaties.
Dat appellante gewoon was 35 uur per week te werken betekent niet dat
zij niet in staat was te achten tot vervulling van aan haar voorgehouden
voltijdse functies voor 36 of 39 uur per week. In het
belastbaarheidspatroon is geen urenbeperking opgenomen. Appellante heeft
wel gesteld of geïmpliceerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig
is geweest, maar de Raad kan haar - zoals hiervoor aangegeven - daarin
niet volgen. Medische gegevens die erop wijzen dat zij niet tot meer dan
35 uur per week verrichten van werkzaamheden in staat was, zijn door
appellante niet overgelegd. Evenmin is gebleken dat appellante in
gezonde toestand niet in staat was tot het vervullen van een voltijdse
functie. Gelet hierop is het op een onzorgvuldig medisch onderzoek
vanwege gedaagde gebaseerde standpunt van appellante over de
bandbreedtemethode niet staande te houden. Hierbij tekent de Raad onder
verwijzing naar zijn uitspraak van 16 april 2002, kenmerk 01/1772 WAO (USZ
2002/156) nog aan dat het gaat om het realiteitsgehalte van een
schatting en met name of de geselecteerde functies qua urenaantal in een
evenwichtige verhouding staan tot de omvang van de maatman. Dat laatste
is hier naar het oordeel van de Raad het geval. In het stelsel van de
uurloonschatting zal, in een geval als thans aan de orde, de omvang van
de geselecteerde functies niet of nauwelijks van invloed zijn op de
berekening van de resterende verdiencapaciteit.
Het beroep van appellante op de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad
van 27 november 2001 kan haar niet baten, aangezien het in dat -
wezenlijk andere - geval ging om iemand die als zelfstandig agrariër vóór
het intreden van haar arbeidsongeschiktheid 55 uur per week werkzaam
was en blijkens haar aanvraag nadien 28 uur per week, terwijl het Lisv
de betrokkene 38 uur per week belastbaar achtte.
De drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies inpakster
koekjes, printplatenmonteur en telefoniste/receptioniste zijn derhalve
naar het oordeel van de Raad in medisch opzicht voor appellante passend
te achten. De functie inpakster koekjes laat op aspect 4 (trappen lopen)
een asterisk zien, maar te dien aanzien is in het overleg tussen de
bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige op 18 juni 2001
een afdoende verklaring gegeven. Ook de - niet medisch onderbouwde -
kritiek van appellante wat de vanwege verweerder niet beperkt geachte
nekbelasting betreft is door verweerder afdoende weerlegd.
Aangezien zonneklaar is dat de functie telefoniste/receptioniste voor
appellante qua opleidingsniveau - ook al is dat niveau ongeveer 20 jaar
eerder bereikt - alleszins geschikt is, behoeft het hiervoor vermelde
andersluidende standpunt van appellante geen (verdere) bespreking.
Nu de schatting kan worden gedragen door de drie evengenoemde functies,
kan de functie bestelautochauffeur buiten beschouwing blijven.
Dat laatste geldt reeds - zoals de rechtbank heeft gedaan - in verband
met de hantering door gedaagde van 0,54 als reductiefactor (waardoor het
mediaanuurloon aanzienlijk lager uitviel dan het maatmanuurinkomen) ook
voor de stelling van appellante over de maximering van het
maatmanuurinkomen. De hantering van die factor wijst overigens op
toepassing door gedaagde van het Besluit uurloonschatting (BUS), maar
daargelaten kan worden of die toepassing tegen de achtergrond van 31
december 1997 als eerste dag in aansluiting op het einde van de
wachttijd van 52 weken wel of niet terecht is geweest, aangezien hoe ook
gerekend of geredeneerd dan wel op basis van welke op dat moment van
toepassing zijne voorschriften dan ook, appellante op basis van deze
uurloonschatting met als resultaat indeling in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45% per 26 april 1998 allesbehalve
tekort is gedaan.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en
voorts dat geen aanleiding bestaat tot veroordeling van gedaagde in de
proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei
2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|