|
Uitspraak
01/4648
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 februari 2000 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de
onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering over de periode van 1 januari 1997 tot
en met 31 december 1997 ten bedrage van f 3.680,86 van appellant
teruggevorderd.
Bij besluit van 30 maart 2000 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de
onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet over de periode van 1 januari 1995 tot en met
31 december 1995 ten bedrage van f 5.485,80 van appellant
teruggevorderd.
Gedaagde heeft de door appellant tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte
bezwaren bij besluit van 7 augustus 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het
besluit van 7 augustus 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij
uitspraak van 11 juli 2001, reg.nr. AWB 00/8715 WAZ, ongegrond
verklaard.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden en
onder overlegging van bijlagen tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april 2004, waar
appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr.
M.J. van Steenwijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft in het bestreden besluit de ontvankelijkheid van de
bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 beoordeeld en heeft
geconcludeerd dat appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard in
zijn bezwaren tegen deze besluiten. Vervolgens heeft gedaagde bij het
bestreden besluit de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond
verklaard. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht het
dictum van het bestreden besluit, zoals gedaagde in zijn verweerschrift
in eerste aanleg heeft aangegeven, beschouwd als een kennelijke
verschrijving en heeft zij - eveneens terecht - met toepassing van
artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit dictum
overeenkomstig het verzoek van gedaagde gelezen als een
niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van appellant tegen de
besluiten 1 en 2.
Aan haar beoordeling van het aldus te lezen bestreden besluit heeft de
rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en
gedaagde als verweerder zijn aangeduid, de volgende feiten en
omstandigheden ten grondslag gelegd.
"De besluiten van 17 februari 2000 en 30 maart 2000 zijn verzonden
aan eisers correspondentieadres - een postbusnummer in Wijchen.
In verband met ziekte heeft eiser eerst op 15 april 2000 zijn postbus
geleegd.
Vervolgens is eiser uit een schrijven van 24 maart 2000 gebleken dat hem
op 17 februari 2000 een besluit is verzonden. Ingevolge eisers
telefonisch verzoek van 17 april 2000 heeft verweerder eiser de
besluiten van 17 februari 2000 en 30 maart 2000 op 17 april 2000 op in
kopie toegezonden.
Eiser heeft deze besluiten op 18 april 2000 ontvangen.
Bij brief van 9 mei 2000 (door verweerder ontvangen op 15 mei 2000)
heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2000.
Bij brief van 11 mei 2000 (door verweerder ontvangen op 16 mei 2000)
heeft eiser bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 30 maart 2000.
Beide bezwaarschriften heeft verweerder bij het bestreden besluit van 7
augustus 2000 ongegrond verklaard."
De Raad voegt aan deze feitenvaststelling toe dat appellant de
vaststelling van de rechtbank dat besluit 1 op 18 april 2000 door hem is
ontvangen, in hoger beroep heeft bevestigd. Voorts heeft appellant in
hoger beroep aangegeven dat hij - in afwijking van hetgeen de rechtbank
heeft aangenomen - besluit 2 op 31 maart 2000 heeft ontvangen.
De Raad stelt vast dat niet in geding is dat de bezwaarschriften van 9
en 11 mei 2000 blijkens de poststempels beide op 12 mei 2000 zijn
verzonden. Ten slotte stelt de Raad vast dat appellant in één van zijn
brieven van 17 april 2000 heeft gereageerd op de brief van gedaagde van
24 maart 2000, waarin appellant mededelingen zijn gedaan met betrekking
tot de invordering van de vordering op grond van besluit 1. De reactie
van appellant hield in het doen van het verzoek hem een voor beroep
vatbare beslissing (naar de Raad aanneemt bedoelt appellant hier een
besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb) ter zake van
de terugvordering toe te zenden en het uitspreken van twijfel of een en
ander wel terecht is en niet op een vergissing berust.
Wat betreft besluit 1 heeft de Raad, evenals gedaagde maar anders dan de
rechtbank, geen aanleiding gezien er vanuit te gaan dat dit besluit niet
op 17 februari 2000 aan appellant naar het door hem gebezigde
postbusnummer is verzonden. Dit is door appellant op zichzelf ook niet
betwist, wel bestrijdt hij de tijdige ontvangst van besluit 1. Vaststaat
dat het bezwaar van appellant met de verzending op 12 mei 2000 van het
bezwaarschrift van 9 mei 2000 met overschrijding van de daarvoor in de
Awb gegeven termijn van 6 weken is gemaakt. Voort heeft appellant eerst
ruim 3 weken na ontvangst op 18 april 2000 van besluit 1 zijn bezwaar
per post verzonden, zodat de Raad met de rechtbank geen aanleiding ziet
om aan te nemen dat appellant zo spoedig als mogelijk na kennisneming
van besluit 1 daartegen bezwaar heeft gemaakt. Van een
verontschuldigbare termijnoverschrijding bij de indiening van het
bezwaar tegen besluit 1 op de voet van artikel 6:11 van de Awb acht de
Raad, evenals de rechtbank, dan ook geen sprake. Voorzover al zou moeten
worden aangenomen dat appellant reeds met één van zijn hiervoor
genoemde brieven van 17 april 2000 bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 1
- de Raad zou er dan tevens van moeten uitgaan dat appellant met de
brief van
24 maart 2000 in elk geval afdoende is geïnformeerd omtrent het bestaan
van besluit 1 -, moet de Raad vaststellen dat ook dan appellant bezwaar
heeft gemaakt buiten de daarvoor in de Awb gegeven termijn en dat alsdan
ook geen sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding als
bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. In zijn andere brief van 17 april
2000 aan gedaagde heeft appellant - woonachtig te [woonplaats] -
namelijk aangegeven dat hij wegens ziekte zijn postbus te Wijchen eerst
op 15 april 2000 heeft geleegd en toen de brief van gedaagde van 24
maart 2000 heeft aangetroffen. Niet gebleken is van feiten en
omstandigheden op grond waarvan het appellant onmogelijk zou zijn
geweest om, ter waarborging dat, bijvoorbeeld bij gelegenheid van
ziekte, post met zijn postbusnummer als adressering hem tijdig bereikt,
maatregelen te treffen, hetgeen de Raad op zichzelf ook in de rede
liggend acht, zodat een aanzienlijk eerdere reactie van appellant in
beginsel mogelijk zou kunnen zijn geweest.
Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat in hoger beroep is
komen vast te staan dat appellant dit besluit op 31 maart 2000 heeft
ontvangen, zodat geen andere conclusie rest dan dat het bezwaar van 11
mei 2000, dat op 12 mei 2000 ter post is bezorgd, buiten de in de Awb
gegeven termijn van 6 weken is ingediend. Ter zake van deze
termijnoverschrijding zijn de Raad geen feiten of omstandigheden
gebleken op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat deze
termijnoverschrijding met toepassing van meergenoemd artikel 6:11 van de
Awb zou kunnen worden verontschuldigd.
Op grond van al het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het
bestreden besluit in rechte standhoudt en dat de aangevallen uitspraak,
zij het met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene, dient te
worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van drs.
T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei
2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|