|
Uitspraak
02/770
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 16 maart 1999 heeft appellant het verzoek van gedaagde
om aan hem een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen,
afgewezen onder overweging dat gedaagde op 31 maart 1998, in aansluiting
op de wachttijd van 52 weken, geschikt was voor werk, wat betekent dat
hij per die datum voor minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij besluit van 5 april 2000 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 december 2001, kenmerk 00/377 WAZ, heeft de
rechtbank Assen het beroep van gedaagde tegen het besluit op bezwaar
(hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard en het bestreden besluit
wegens een ontoereikende medische grondslag vernietigd met bepaling dat
appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming
van hetgeen in de uitspraak is overwogen en met bepaling over het te
vergoeden griffierecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van
4 maart 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 2 april 2002, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 april
2004. Voor appellant is verschenen mr. A. van den Os, werkzaam bij het
Uwv. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde was sedert 1979 werkzaam als zelfstandig autorijschoolhouder.
In verband met in 1990 ontstane en sedertdien toegenomen rugklachten
heeft hij een aanvraag om toekenning van een WAZ-uitkering ingediend.
Per 1 april 1998 heeft gedaagde zijn autorijschool van de hand gedaan.
Op 28 januari 1999 is gedaagde onderzocht door de verzekeringsarts A.M. Blok-Korenhof die 1 april 1997 als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag heeft aangemerkt. Voorts is zij op basis van
haar onderzoek alsook de anamnestisch ervaren klachten tot de conclusie
gekomen dat gedaagde ongeschikt is voor zijn eigen werk, maar geschikt
is voor rugsparende andere werkzaamheden zoals weergegeven in het
belastbaarheidspatroon, en gezien het verloop van de rugklachten de
wachttijd van 52 weken op 31 maart 1998 had voltooid.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige H. Veldman op 17 februari 1999
drie functies geselecteerd tot het vervullen waarvan gedaagde met zijn
beperkingen op 31 maart 1998 in staat moest worden geacht en die een
verlies aan verdiencapaciteit te zien geven van 3%, derhalve minder dan
het ingevolge de WAZ vereiste minimum van 25% om tot uitkering te kunnen
komen.
Aldus is op 16 maart 1999 afwijzend op de aanvraag van gedaagde beslist.
In de bezwaarfase is de bezwaarverzekeringsarts N. Visser op 15
september 1999 gekomen tot de conclusie dat gedaagde zijn werkzaamheden
niet heeft beëindigd vanwege de chronisch aspecifieke rugklachten
waarmee hij jarenlang zijn autorijschool heeft kunnen voortzetten, maar
omdat hij zijn autorijschool van de hand heeft gedaan, dat gedaagde -
zoals is aangegeven in een op 27 augustus 1999 bijgesteld
belastbaarheidspatroon - minder zwaar is beperkt dan door de
verzekeringsarts is aangenomen (met name wat zitten, kortcyclisch
buigen, torderen en reiken betreft) en dat als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair kan worden aangenomen 1 januari
1992, sedert welke datum sprake is geweest van een periode van 52 weken
onafgebroken beperkingen voor arbeid.
Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman, na overleg
met de bezwaarverzekeringsarts Visser over overschrijdingen van de
belastbaarheid in twee van de drie geselecteerde functies, zich op 9
november 1999 en - na een gesprek met gedaagde op 19 januari 2000 - op
21 februari 2000 geschaard achter de bevindingen van de
arbeidsdeskundige Veldman wat gedaagdes situatie op 31 maart 1998
betreft.
Aldus is op 5 april 2000 afwijzend op het bezwaar van gedaagde beslist.
In de beroepsfase heeft de rechtbank aanleiding gezien tot inschakeling
als deskundige van de revalidatiearts P.C.Th. van Aanholt die op 3 maart
2001 heeft gerapporteerd dat gedaagde in verband met zijn rugproblemen
qua zitten en gebogen werken op 31 maart 1998 meer was beperkt dan in het door de
bezwaarverzekeringsarts Visser opgestelde belastbaarheidspatroon is
aangegeven en dat gedaagde met name vanwege het niet voldoende
(regelmatig) kunnen vertreden en anderszins wisselen van houding niet in
staat kon worden geacht tot vervulling van de geselecteerde functies.
Het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Visser van 2 april 2001 op
zijn rapport, heeft de deskundige Van Aanholt op 18 mei 2001 geen
aanleiding gegeven zijn rapport van 3 maart 2001 te herzien.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank doorslaggevende
betekenis toegekend aan het oordeel van de door haar als deskundige
ingeschakelde revalidatiearts Van Aanholt, in aanmerking genomen dat
deze onafhankelijk en onpartijdig is, dat zijn oordeel is gebaseerd op
eigen onderzoek van gedaagde, op de in het dossier aanwezige stukken,
vervaardigde röntgenfoto's en CT-onderzoek alsook op de anamnese van
gedaagde en dat deze het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Visser
afdoende heeft weerlegd.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte
haar deskundige Van Aanholt heeft gevolgd, omdat deze wat de
belastbaarheid van gedaagde op 31 maart 1998 betreft is uitgegaan van
aangetoonde/aantoonbare onjuistheden op in essentie zes verschillende
punten en daarin geen aanleiding heeft gezien tot heroverweging van
zijn bevindingen.
De Raad overweegt het volgende.
Dit geding wordt beheerst door het verschil van inzicht tussen de door
de rechtbank als deskundige ingeschakelde revalidatiearts Van Aanholt en
de door appellant gevolgde bezwaarverzekeringsarts Visser over de
medische situatie waarin gedaagde op 31 maart 1998 verkeerde.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient in beginsel het oordeel van
de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke medische deskundige te
worden gevolgd. In dit geval doen zich naar het oordeel van de Raad geen
feiten of omstandigheden voor die (voldoende) grond vormen om van deze
lijn af te wijken. Daartoe verwijst de Raad naar de hiervoor weergegeven
overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, die hij
volledig kan onderschrijven. Daarbij tekent de Raad aan dat hetgeen
appellant in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie overeenkomt met
het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Visser op het rapport van
2 april 2001 van de deskundige
Van Aanholt, waarop deze, naar het oordeel van de Raad afdoende, al bij
rapport van 18 mei 2001 heeft gereageerd.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 409,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2004.
(get.) J.
Janssen.
(get.)
M.H.A. Uri.
|
|