|
Uitspraak
02/1399
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 16 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellant in
aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) op de grond dat
appellant na het verstrijken van de wettelijke wachttijd van 52 weken,
met ingang van 5 januari 2000, minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 20 juni 2001 heeft gedaagde het door appellant gemaakte
bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2000 gegrond verklaard, met dien
verstande dat aan appellant met ingang van 5 januari 2000 een uitkering
ingevolge de WAZ wordt toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De rechtbank Roermond heeft het namens appellant door mr. R.L.J.J.
Vereijken, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, gevestigd te
Roermond, ingestelde beroep tegen het besluit van 20 juni 2001 (hierna:
het bestreden besluit) bij uitspraak van 18 januari 2002, procedurenr. 01/903 WAZ K1, ongegrond verklaard.
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een rapport ingezonden
van zijn bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden,
gedateerd 16 mei 2002.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 20 april 2004, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft in zijn op 3 november 1999 gedateerde aanvraag om een
WAZ-uitkering aangegeven dat hij met ingang van 6 januari 1999 wegens
schouderklachten beiderzijds, opgelopen bij een val tijdens het werk,
arbeidsongeschikt is voor zijn in een omvang van 70 uren per week
verrichte werkzaamheden als zelfstandig agrariër. Bij primair besluit
van 16 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellant voor zodanige
uitkering in aanmerking te brengen. Gedaagde heeft hierbij tot
uitgangspunt genomen dat appellant, ondanks de voor hem door gedaagdes
verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, met passende
loondienstfuncties nog een zodanig inkomen kon verwerven dat geen sprake
was van een voor de toepassing van de WAZ relevant verlies van
verdiencapaciteit.
Appellant heeft in bezwaar grieven naar voren gebracht met betrekking
tot de door gedaagde gevolgde methode van actualisering van het
maatmaninkomen met behulp van de zogeheten LEI-indexcijfers. Daarnaast
heeft hij naar voren doen brengen dat bij het duiden van de bij de
schatting gebruikte functies in onvoldoende mate rekening is gehouden
met zijn fysieke beperkingen.
Het bezwaar van appellant inzake de wijze van vaststelling van het
maatmaninkomen is door gedaagde gehonoreerd. In overeenstemming met kort
na het nemen van het primaire besluit tot stand gekomen rechtspraak van
de Raad - de Raad noemt hier zijn uitspraak van 30 mei 2000, onder meer
gepubliceerd in RSV 2000/165 - heeft gedaagde alsnog afgezien van het
gebruik van evenvermelde LEI-cijfers. Gedaagde heeft het maatmaninkomen
herberekend aan de hand van de CBS-loonindex-totaal-cijfers en heeft,
uitgaande van het aldus herberekende maatmaninkomen, de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant nader bepaald op 35 tot 45%. Voorts
heeft de bezwaarverzekeringsarts van gedaagde de door de primaire
verzekeringsarts in aanmerking genomen beperkingen op onderdelen
aangescherpt, maar zulks bleek naar de zienswijze van gedaagde geen
invloed te hebben op de passendheid van de bij de schatting in
aanmerking genomen functies.
In beroep is namens appellant aangevoerd dat gedaagde ten onrechte
volledig is voorbij gegaan aan zijn bezwaren van medische aard. De
medisch adviseur van appellant zou hebben aangegeven dat appellant op
onderdelen meer beperkt is dan vanwege gedaagde is aangenomen. Appellant
zou daarmee niet in staat zijn tot het verrichten van de werkzaamheden
die behoren bij de door gedaagde als voor appellant passende
arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.
De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat de medische
advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit in strijd is
met de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Ook heeft de rechtbank
geen aanknopingspunten gevonden om de verzekeringsgeneeskundige
bevindingen voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank zich
kunnen stellen achter de passendheid van de voor de schatting gebruikte
functies en achter de daarop gebaseerde indeling van appellant in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. De rechtbank heeft daarom het
beroep van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep zijn grieven inzake het
belastbaarheidspatroon en de functies staande gehouden.
De Raad heeft in hetgeen namens appellant naar voren is gebracht geen
aanknopingspunten gevonden om met betrekking tot de houdbaarheid in
rechte van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de
rechtbank. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn eigen opvatting dat
hij ernstiger beperkt is dan door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts is
aangenomen niet aan de hand van objectief-medische gegevens onderbouwd.
Namens appellant is wel gesteld dat hij wederom informatie heeft
ingewonnen bij de medisch adviseur K.H. Harmsma, die - tot genoegen van
appellant - op een aantal punten met de bezwaren van appellant zou zijn
meegegaan, maar de Raad kan hieraan geen doorslaggevende betekenis
toekennen, reeds omdat er zich onder de gedingstukken geen rapport van
die arts bevindt. De Raad verenigt zich met de overweging van de
rechtbank dat ook aan de eigen beleving van appellant over zijn
beperkingen geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden gehecht.
Uitgaande aldus van de juistheid van het omtrent appellant in aanmerking
genomen belastbaarheidspatroon, staat voorts ook voor de Raad, mede in
aanmerking genomen hetgeen van de zijde van gedaagde - bij monde van
gedaagdes bezwaarverzekeringsarts in bijlage 2 bij het rapport van 6
maart 2001 - is gesteld met betrekking tot de passendheid van de daar
genoemde drie functies, genoegzaam vast dat appellant in staat was om
ten tijde hier van belang de geselecteerde functies te vervullen.
Ten slotte heeft de Raad, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb), ook overigens geen aanleiding om het bestreden
besluit rechtens niet juist te achten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Met betrekking tot het verzoek van appellant om in aanmerking te worden
gebracht voor de in de bezwaarfase gemaakte kosten, overweegt de Raad
nog als volgt. Ten tijde hier van belang gold, naar in vaste rechtspraak
van de Raad is vastgelegd, de regel dat zodanige kosten slechts in
bijzondere gevallen voor vergoeding met toepassing van artikel 8:73 van
de Awb in aanmerking kwamen, waarbij dient te worden gedacht aan
situaties waarin het bestuursorgaan het primaire besluit tegen beter
weten in heeft genomen. In het onderhavige geval is van een dergelijke
bijzondere situatie geen sprake. Eerst na het nemen van het primaire
besluit op 16 mei 2000 - namelijk bij de eerder genoemde uitspraak van
30 mei 2000 - heeft de Raad immers voor het eerst blijk gegeven van zijn
oordeel dat de methode van vaststelling van het maatmaninkomen met
behulp van de LEI-cijfers rechtens onjuist is te achten. Niet kan aldus
gezegd worden dat gedaagde tegen beter weten in nog die methode heeft
gehanteerd bij het nemen van het primaire besluit.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2004.
(get.)
K.J.S. Spaas.
(get.)
M.H.A. Jenniskens.
|
|