|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4042 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.C.M. Peperkamp, werkzaam bij DAS
Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank Leeuwarden van 24 juni 2002, reg.nr. 00/1169 WAZ,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 mei 2004, waar
appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen drs.
G.A. Tellinga, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit, gedateerd 12 oktober 2000, berust op het
standpunt dat appellante op 28 januari 2000, de in geding zijnde datum,
weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met
inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden
verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de
hoogste lonen, met het voor appellante geldende maatmaninkomen
resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van
minder dan 25% in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ).
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan
de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel
dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling
overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellante met het
belastbaarheidspatroon van 16 mei 2000, opgemaakt door de
verzekeringsarts H. de Vries, niet is overschat.
De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie
bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding
zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. De Raad heeft
hierbij mede in aanmerking genomen dat door de bezwaarverzekeringsarts
M. Peerden de door appellante verstrekte brieven van behandelend
reumatoloog T.L. Jansen bij zijn oordeelsvorming zijn betrokken. Met
betrekking tot de namens appellante in eerste aanleg ingebrachte
rapportage van reumatoloog P.M. Houtman overweegt de Raad - gelijk de
rechtbank - dat de bevindingen van Houtman onvoldoende worden gebaseerd
op objectieve afwijkingen, maar veeleer worden gebaseerd op de door
appellante gemaakte inschatting van haar belastbaarheid, zoals ontleend
aan de van haar afgenomen anamnese.
Gezien het feit dat op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van
de WAZ niet beslissend is de eigen opvatting van een verzekerde dat hij
of zij niet meer (volledig) kan werken brengt dit derhalve met zich mee
dat niet die waarde aan de rapportage van Houtman kan worden toegerekend
als door appellante gewenst.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat, in
vergelijking met het verweer in eerste aanleg, geen nieuwe
gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel
kunnen brengen.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het
bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004.
(get.)
K.J.S. Spaas.
(get.)
M.H.A. Jenniskens.
|
|