|
Uitspraak
02/2107
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen van een onder dagtekening 14 maart 2002 door de rechtbank
Maastricht tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 2001/776 WAZ
Z), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 22 oktober 2002 heeft appellant de beroepsgronden
aangevuld en een schrijven van 1 augustus 2002 van de behandelend
reumatologe D. Vosse ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 mei 2004,
waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 29 maart 1995 een aanvraag tot een uitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) gedaan in verband
met bij hem sedert februari 1994 bestaande arbeidsongeschiktheid. Bij
besluit van 25 oktober 1996 heeft gedaagde per 31 januari 1995 deze
uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 55 tot 65%. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij
uitspraak van 3 juli 1997 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is
geen rechtsmiddel aangewend.
De uitkering ingevolge de AAW is per 1 januari 1998 door wetswijziging
omgezet in een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Bij besluit van
25 oktober 2000 heeft gedaagde de arbeidsongeschiktheidsuitkering van
appellant met ingang van 30 november 2000 herzien naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daartegen heeft appellant bezwaar
gemaakt. Bij het thans bestreden besluit van 29 mei 2001 heeft gedaagde
dit bezwaar gegrond verklaard en appellant alsnog per 30 november 2000
ongewijzigd arbeidsongeschikt geacht naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Naar haar
oordeel hebben de betrokken verzekeringsartsen een voldoende zorgvuldig
onderzoek ingesteld en is er evenmin reden om aan te nemen dat zij een
onjuist beeld hebben gehad van de gezondheidssituatie van appellant.
Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de arbeidskundige
grondslag van het bestreden besluit, zoals deze is weergegeven in het
rapport van 21 mei 2001 van de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van
Belkom.
In hoger beroep heeft appellant (zakelijk samengevat) aangevoerd dat:
- hem ten onrechte door de rechtbank wordt verweten geen hoger beroep te
hebben ingesteld tegen haar uitspraak van 3 juli 1997;
- geen sprake is van zorgvuldig onderzoek;
- zijn medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld, omdat ten onrechte
geen rekening is gehouden met de bij hem bestaande reumatoide arthritis
en omdat de ernst van zijn ooglijden is onderschat;
- zijn maatmaninkomen op een te laag bedrag is gesteld als gevolg
waarvan de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is onderschat.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Anders dan appellant leest de Raad in de aangevallen uitspraak slechts
een vaststelling van feitelijke aard dat appellant tegen de uitspraak
van 3 juli 1997 geen hoger beroep heeft ingesteld. Aan die vaststelling
heeft de rechtbank voor de onderhavige zaak geen gevolgen verbonden. De
Raad voegt hieraan ter voorlichting van appellant toe dat die uitspraak
de vraag betrof of de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 januari 1995
met indeling in de arbeidsongeschiktheidklasse 55 tot 65% juist was
gewaardeerd. In het onderhavige geval moet de vraag worden beantwoord of
per 30 november 2000 de indeling in die klasse, gelet op de medische
toestand van appellant en de arbeidskundige grondslag van de schatting,
juist is.
In de bezwaarfase die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan hebben
de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker en de bezwaararbeidsdeskundige Van
Belkom de medische en arbeidskundige aspecten van de schatting
herbeoordeeld. Wat betreft de medische kant heeft de
bezwaarverzekeringsarts Jonker, naar aan haar rapport van 1 maart 2001,
aangevuld bij rapport van 6 maart 2001, valt te ontlenen, kennis genomen
van aanvullende berichten van de huisarts van appellant, de reumatologe
D. Vosse en de oogarts M.C.A.J. van den Maegdenbergh. Een en ander is
voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding geweest te aanvaarden dat
appellant in verband met een oogontsteking tussen juli en oktober 2000
toegenomen medische beperkingen had, en dat deze niet meer aanwezig
waren ten tijde hier in geding (30 november 2000). Voorts blijkt uit dit
rapport dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van eerdere
van de behandelende medici ontvangen inlichtingen. De Raad heeft gelet
hierop geen aanwijzingen dat het medisch onderzoek niet aan de daaraan
te stellen eisen heeft voldaan en dat dit in het kader van de daarop
rustende besluitvorming als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. De
omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts Jonker zich heeft kunnen
verenigen met de eerder door de verzekeringsarts T. Kuiper vastgestelde
beperkingen vormt op zichzelf geen aanwijzing dat het onderzoek niet
zorgvuldig is geweest.
Ten aanzien van de arbeidskundige kant moet worden vastgesteld dat de
bezwaararbeidsdeskundige Van Belkom blijkens zijn rapport van 21 mei
2001 een duidelijk andere visie op de arbeidskundige grondslag van de
onderwerpelijke arbeidsongeschiktheidsschatting heeft dan de bij de
primaire besluitvorming betrokken arbeidsdeskundige A.H.P. Offermans.
Een en ander heeft er ook toe geleid dat de mate van
arbeidsongeschiktheid bij het bestreden besluit is gesteld op 55 tot 65%
in plaats van de door de arbeidsdeskundige Offermans berekende mate van
45 tot 55%. Ook hierin ziet de Raad geen reden het bestreden besluit
onzorgvuldig te achten. De Raad wijst erop dat het rechtsmiddel van
bezwaar juist ook is bedoeld om het uitvoeringsorgaan in de gelegenheid
te stellen het besluit waartegen het bezwaar zich richt in zijn geheel
te heroverwegen en eventuele onvolkomenheden te herstellen. Daarvan
heeft gedaagde in het onderhavige geval gebruik gemaakt.
De Raad heeft geen aanwijzingen dat de medische beperkingen van
appellant ten tijde hier in geding zijn onderschat. De verzekeringsarts
Kuiper heeft bij brieven van 25 april 2000 inlichtingen verkregen van de behandelend reumatologe
Vosse, waarin melding wordt gemaakt van een chronisch reumatische
aandoening met een wisselend beloop in de tijd, de ziekte van Reiter op
basis van een Yersinea-infectie. Blijkens zijn rapport van 7 juni 2000
heeft de verzekeringsarts zich van deze gegevens rekenschap gegeven en
heeft hij de door appellant geuite oogklachten in zijn oordeelsvorming
betrokken. De bezwaarverzekeringsarts Jonker heeft na de ontvangst van
nadere medische gegevens zich per 30 november 2000 kunnen verenigen met
de door de verzekeringsarts Kuiper vastgestelde beperkingen. In beroep
noch in hoger beroep zijn medische gegevens bekend geworden die erop
wijzen dat de betrokken verzekeringsartsen de medische beperkingen van
appellant per datum in geding onjuist hebben vastgesteld. Noch de in
eerste aanleg overgelegde brief van 15 februari 2001 van de oogarts Van
den Maegdenbergh, noch de in hoger beroep overgelegde verklaring van de
reumatologe Vosse geven daarvoor voldoende aanknopingspunten.
Ook de grief van appellant met betrekking tot het maatmaninkomen ziet de
Raad niet slagen. Aan de gedingstukken valt te ontlenen dat gedaagde is
uitgegaan van het laatstelijk op 17 oktober 1996 vastgestelde
maatmaninkomen en dit naar de datum in geding heeft geοndexeerd met de
indextotaal van de CBS-regelingslonen. Op basis daarvan heeft de
bezwaararbeidsdeskundige Van Belkom het maatmanuurinkomen gesteld op f
47,- en dit aan de arbeidsongeschiktheidsberekening te grondslag gelegd.
Ter zitting heeft appellant nog gesteld dat bij de berekening van zijn
maatmaninkomen ten onrechte zijn inkomsten uit een commanditaire
vennootschap, die het beheer voert over een kasteel, niet zijn
betrokken. De Raad gaat hieraan voorbij. Appellant heeft van die
inkomsten gelet op de gedingstukken nimmer eerder melding gemaakt, zodat
gedaagde daarmee ook geen rekening heeft kunnen houden. De Raad acht de
ter zitting daaromtrent gedane mededeling zo weinig gespecificeerd, dat
er geen aanleiding bestaat om het onderzoek in verband hiermee te
heropenen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het ingestelde hoger beroep geen
doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni
2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|