|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4504 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Maastricht van 29 juli 2003, nummer AWB 02/1237 WAZ, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 april 2003, waar
voor appellant is verschenen mr. R. Willems, werkzaam bij het Uwv, en
waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 11 juli 2002, verder: het bestreden besluit, heeft
appellant het bezwaar van appellant tegen een besluit van 28 maart 2002
met betrekking tot gedaagdes aanspraken ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit
vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van deze
uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met veroordeling van
appellant tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht
aan gedaagde.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als "verweerder"
en gedaagde als "eiseres" wordt aangeduid, is daartoe het
volgende overwogen:
"De rechtbank dient allereerst ambtshalve een oordeel te geven over
de vraag of verweerder dit bezwaarschrift (kennelijk) terecht
ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft moeten vaststellen dat
de gemachtigde van eiseres bij faxbericht van 10 mei 2002 tegen het
besluit van 28 maart 2002 bezwaar heeft gemaakt. Hiermee is evenwel de
termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb met 1 dag overschreden.
Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder geen aandacht geschonken
aan deze termijnoverschrijding en derhalve de vraag of er sprake is van
een verschoonbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Hierin
ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en
verweerder alsnog op te dragen met betrekking tot de toepassing van
artikel 6:11 Awb een beslissing op bezwaar te nemen.
Aan een beoordeling ten gronde komt de rechtbank niet toe."
Appellant heeft in zijn beroepschrift het volgende aangevoerd:
"Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor
het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid Awb vangt de termijn
aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven
wijze bekend is gemaakt.
Ingevolge het bepaalde 6:9, eerste lid Awb is een bezwaar- of
beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn
is ontvangen.
De primaire beslissing is op 28 maart 2002 verzonden. De termijn voor
het indienen van bezwaar loopt vanaf vrijdag 29 maart 2002 tot en met
donderdag 9 mei 2002. Het bezwaarschrift is per fax op vrijdag 10 mei
2002 ontvangen.
Wij merken op dat donderdag 9 mei 2002 Hemelvaartsdag was.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1 van de Algemene termijnenwet wordt
een in een wet gestelde termijn die op zaterdag, zondag of algemeen
erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die
niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
In artikel 3 van de Algemene termijnenwet staat aangegeven dat algemeen
erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: Nieuwjaarsdag, de
Christelijke tweede paasdag en pinksterdag, de beide kerstdagen, de
Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd
en de vijfde mei en Goede Vrijdag.
Aangezien de termijn van 6 weken eindigt op een algemeen erkende
feestdag, te weten Hemelvaartsdag, dient de termijn met 1 dag te worden
verlengd, namelijk naar vrijdag 10 mei 2002.
Dit betekent dat het op 10 mei 2002 per fax ontvangen bezwaarschrift
gericht tegen de beslissing van 28 maart 2002 als tijdig moet worden
beschouwd en dat ten onrechte de beslissing op bezwaar van 11 juli 2002
door de rechtbank is vernietigd.
Wij verzoeken u de uitspraak van de rechtbank te vernietigen."
Dat betoog treft doel. De Raad zal de aangevallen uitspraak wegens
strijd met het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) en artikel 1 en artikel 3 van de Algemene Termijnenwet
vernietigen.
Aangezien het geding naar 's Raads oordeel nadere behandeling, en wel
een beoordeling ten gronde, door de rechtbank behoeft, acht de Raad het
gewenst de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en
onder b van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank Maastricht.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Maastricht.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|