|
Uitspraak
01/789
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 3 september 1998 heeft gedaagde de uitkering van
appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 november 1998
ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellante was afgenomen naar minder dan 15% [lees: 25%, red.].
Bij besluit van 17 juni 1999 heeft gedaagde het door appellante tegen
het besluit van 3 september 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 21 december 2000, reg.nr.
AWB 99/739 WAZ V02, het namens appellante door mr. L.J. van der Veen,
advocaat te Groningen, ingestelde beroep tegen het besluit van 17 juni
1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellante is op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Namens appellante is een rapport ingezonden van psychiater i.o. T.H. de
Lange en psychiater prof. dr. W. van Tilburg, gedateerd 10 augustus
2001, bevattende de resultaten van een door die artsen op appellantes
verzoek ingesteld psychiatrisch onderzoek.
Desgevraagd is door gedaagde, bij schrijven van 19 december 2002 van de
bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen, op dat rapport gereageerd.
Bij brief van 17 februari 2003 heeft psychiater Van Tilburg naar
aanleiding van die reactie een commentaar ingezonden.
Op dit commentaar is, bij brief van 24 februari 2003, weer gereageerd
door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 maart 2003, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen,
en waar namens gedaagde niemand is verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 17 juli
2003 psychiater prof. dr. G.F. Koerselman als deskundige benoemd voor
het instellen van een onderzoek. Bij rapport van 17 februari 2004 heeft
deze deskundige verslag gedaan omtrent zijn bevindingen en conclusies.
Bij brief van 7 april 2004 met bijlagen heeft gedaagde op verzoek van de
Raad aangegeven welke gevolgen naar zijn oordeel het rapport van de
deskundige Koerselman heeft voor de medische en/of arbeidskundige
grondslag van het bestreden besluit.
Van de zijde van appellante is daarop gereageerd bij brief van 29 april
2004 van appellantes raadsman en een daarbij gevoegde persoonlijke
reactie van appellante zelf. In deze brief heeft appellantes raadsman
onder meer de Raad verzocht om het naar aanleiding van evenvermeld
verzoek van de Raad door gedaagde ingenomen standpunt aan de deskundige
Koerselman voor te leggen. De Raad heeft bij brief van 4 mei 2004
meegedeeld dat dit verzoek om de deskundige Koerselman opnieuw te
benaderen eerst zal worden genomen na de hernieuwde behandeling van de
zaak ter zitting.
Naar aanleiding van de van de zijde van appellante gegeven reactie heeft
gedaagde een schrijven, gedateerd 11 mei 2004, van zijn
bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam, ingezonden.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2004.
Appellante is daar wederom in persoon en bijgestaan door mr. Van der
Veen verschenen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. S.T. Dieters,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en gedaagde
als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden.
“Eiseres, geboren op 14 november 1944, werkte laatstelijk als beeldend
kunstenaar. Als gevolg van een auto-ongeval is zij op 10 augustus 1993
voor dit werk uitgevallen. Op 8 februari 1995 heeft eiseres zich - wegens klachten verband houdend met een whiplashletsel
- tot
verweerder gewend met een verzoek om een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
Aanvankelijk werd haar deze uitkering bij besluit van 9 juni 1995
geweigerd.
Met zijn besluit van 15 april 1998 heeft verweerder, op grond van bij
eiseres destijds ook bestaande depressies, alsnog besloten aan eiseres
met ingang van 10 augustus 1994 een uitkering ingevolge de AAW toe te kennen naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Verweerder heeft bij besluit van 3 september 1998 de mate van
arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 3 november 1998
gesteld op minder dan 25% en haar uitkering met ingang van die datum
ingetrokken.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 6 oktober 1998 bezwaar gemaakt,
waarna zij op 18 februari 1999 is gehoord.
Bij zijn thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van
eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd nog volledig arbeidsongeschikt te
zijn vanwege ernstige psychische klachten.
Zij acht zich daarin gesteund door haar behandelend psychiater C.A.F.
Nijenhuis.”
De Raad voegt daaraan het volgende toe. Gedaagdes verzekeringsarts W.J.
Reilman heeft in zijn rapport van 13 juli 1998 aangegeven op grond van
het ingestelde onderzoek, waarvan deel uitmaakte het inwinnen van
informatie bij de behandelend psychiater C.A.F. Nijenhuis en het doen
opstellen van een expertiserapport door psychiater W.H.J. Mutsaers, primair van oordeel te zijn dat er ten aanzien van
appellante geen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek meer vallen
aan te geven. Niettemin heeft deze verzekeringsarts een
belastbaarheidspatroon opgesteld waarin naast zekere beperkingen op
lichamelijk gebied is aangegeven dat voor appellante het werken onder
tijdsdruk is toegestaan, mits dit niet excessief is. Gedaagdes
arbeidsdeskundige E. van Dijk heeft vervolgens geconcludeerd dat er ten aanzien van
appellante, bij gebreke van beperkingen die voortvloeien uit ziekte of
gebrek, geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de
arbeidsongeschiktheidswetgeving.
De Raad begrijpt de op vorenomschreven - innerlijk niet volledig
consistente - verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige benadering
berustende besluitvorming van gedaagde aldus dat gedaagde in elk geval
het standpunt inneemt dat appellante per de in geding zijnde datum 3
november 1998 weer volledig geschikt is te achten voor haar eigen
werkzaamheden als kunstenares.
Appellante heeft daarentegen in de loop van de procedure een en
andermaal naar voren doen brengen dat zij zich, in het bijzonder als
gevolg van ernstige klachten op het psychische vlak, niet in staat acht
tot het verrichten van haar eigen werkzaamheden, in elk geval niet
gedurende hele dagen.
De rechtbank heeft uit de haar ter beschikking staande medische gegevens
onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat
appellante op de in geding zijnde datum zodanige beperkingen in
objectief medische zin had dat zij niet in staat was haar eigen
werkzaamheden gedurende hele dagen te verrichten. Te meer, aldus de
rechtbank, daar appellante in dat werk grotendeels zelf de ruimte en de
tijd kan creëren om op haar eigen wijze te werken, zodat met aspecten -
als tijdsdruk en hiërarchie - die tot decompensatie kunnen leiden
voldoende rekening is gehouden.
In hoger beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt het
in rubriek I vermelde rapport ingebracht van psychiater Van Tilburg, die
appellante op grond van beperkingen als gevolg van een ernstig
depressief toestandsbeeld op de datum in geding buiten staat acht tot
het in een voltijdse omvang verrichten van arbeid.
De Raad heeft aanleiding gevonden om psychiater Koerselman als
onafhankelijk deskundige te raadplegen. Blijkens zijn in rubriek I
vermelde rapport is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat
appellante lijdende is aan een recidiverende depressieve stoornis. Ten
tijde van het onderzoek was deze stoornis volledig in remissie, maar ten
tijde van de in dit geding van belang zijnde datum 3 november 1998 was
er sprake van ziekte of gebrek in de vorm van een depressieve episode
welke naar het oordeel van deze deskundige als ernstig kan worden
geclassificeerd. In verband hiermee kan Koerselman zich niet volledig
vinden in de door gedaagdes verzekeringsarts vastgestelde
belastbaarheid. Onder verwijzing naar de op het FIS-formulier opgenomen
beperking voor werken onder ernstige tijdsdruk, heeft Koerselman
aangegeven dat men tijdens een depressieve episode mede door een gebrek
aan energie - inderdaad - minder goed kan werken onder tijdsdruk. Voorts
heeft hij zich kunnen stellen achter de ook op dat formulier opgenomen
beperking dat appellante niet mag werken in wissel-, ploegen- of
nachtdiensten, daar een omgekeerd dag- en nachtritme een negatief effect
kan hebben op een depressie. Verder passen, aldus Koerselman, bij een
depressieve episode concentratiestoornissen. Ook bij appellante was dit
aan de orde, in verband waarmee conflicterende functie-eisen een
probleem zouden kunnen opleveren. Ook ervaart appellante tijdens een
depressieve episode hyperaesthesie, waardoor zij eveneens beperkt is ten
aanzien van werken in een lawaaierige omgeving. Koerselman heeft ten
slotte nog opgemerkt zich niet uit te spreken over de vraag of
appellante op de datum in geding al dan niet geschikt was voor haar
eigen arbeid als beeldend kunstenaar, aangezien hij niet beschikt over
de functieomschrijving daarvan.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, in lijn met de betekenis
die ingevolge zijn vaste rechtspraak toekomt aan het oordeel van een door
de rechter geraadpleegde onafhankelijk deskundige, evenvermelde
conclusies van de deskundige Koerselman inzake de voor appellante op de
datum in geding geldende medische beperkingen overneemt. De Raad merkt
hierbij nog op dat die conclusies van de zijde van appellante niet als
zijnde onjuist en/of onvolledig zijn bestreden, terwijl gedaagde, bij
monde van zijn bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen, juist expliciet
heeft aangegeven die conclusies te willen overnemen.
Er aldus alsnog van uitgaande dat voor appellante beperkingen gelden op
de aspecten 28 A (tijdsdruk), 28 D (conflicterende functie-eisen) en 28
I (lawaaierige omgeving), heeft gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige Van
Dam blijk gegeven van zijn oordeel dat en waarom die beperkingen de bij
het bestreden besluit aangenomen volledige geschiktheid van appellante
voor haar eigen werk niet aantasten. Een autonoom beeldend kunstenaar
is, aldus deze arbeidsdeskundige, een in alle opzichten vrij beroep, bij
de uitoefening waarvan de kunstenaar, in dit geval appellante, zodanige
keuzes kan maken met betrekking tot onder meer aspecten als dagindeling,
werkplanning, inbouwen van rustmomenten etc. dat er geen conflicten
behoeven te ontstaan met de hiervoor genoemde beperkingen van
appellante.
Van de zijde van appellante wordt dit op zich niet bestreden, maar is
erop gewezen dat de door de bezwaararbeidsdeskundige in ogenschouw
genomen aspecten uitsluitend de meer technische kant van het uitvoerend
werk van een kunstenaar betreffen. Niet die technische aspecten, maar de
bij het scheppen van kunst nu eenmaal zo belangrijke creatieve component
vormt naar de opvatting van appellante evenwel haar kernprobleem; als
gevolg van haar ernstige depressie ervoer zij juist op dit creatieve
vlak beperkingen bij het uitoefenen van haar werkzaamheden.
De Raad volgt de hiervoor weergegeven zienswijze van gedaagde. De Raad
heeft hierbij in de eerste plaats in aanmerking genomen dat uit het
rapport van de deskundige Koerselman niet naar voren komt dat
appellante, ook al maakte zij ten tijde hier van belang een depressieve
episode door welke als ernstig valt te classificeren, zodanig beperkt
was dat zij in het geheel niet in staat was tot het verrichten van
arbeid. Zoals hiervoor al is aangegeven gaat de Raad met Koerselman
ervan uit dat appellante uitsluitend beperkt was te achten op de
hiervoor met name genoemde belastbaarheidsaspecten. Voorts is de Raad
van oordeel dat van de zijde van gedaagde - en ook door de rechtbank -
terecht is gewezen op de grote mate van vrijheid die appellante geacht
moet worden te hebben bij de wijze waarop zij haar werkzaamheden inricht
en uitvoert. Gelet hierop gaat ook de Raad ervan uit dat evengenoemde
beperkingen van appellante geen belemmering behoefden op te leveren bij
het uitoefenen van haar werkzaamheden als beeldend kunstenares. Hierbij
heeft de Raad ten slotte in aanmerking genomen dat voor de hiervoor
weergegeven stelling van appellante, inzake de invloed van haar
aandoening op het creatieve proces, in het rapport van de deskundige
Koerselman geen aanknopingspunten zijn te vinden.
De Raad komt aldus tot de slotsom dat appellante op de datum in geding
terecht geschikt is geacht voor haar eigen werkzaamheden. In dit oordeel
ligt besloten dat de Raad het niet noodzakelijk acht om met betrekking
tot die geschiktheidsvraag Koerselman opnieuw te benaderen, zoals van de
zijde van appellante is verzocht.
Uit het vorenoverwogene volgt dat gedaagde bij het bestreden besluit
terecht appellantes WAZ-uitkering met ingang van 3 november 1998 heeft
ingetrokken. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient daarom te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.
(get.)
K.J.S. Spaas.
(get.) J.W.
Engelhart.
|
|