|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3969 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 januari 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellant na
afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 13 januari 2000
minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 31 mei 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2001 gegrond
verklaard en aan appellant met ingang van 13 januari 2000 een uitkering
ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 25 juni 2002, nr. SBR
01/1298, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. P.A.C.A. Jansen, werkzaam bij V.d. Burgt
Groep Accountants en Belastingadviseurs te Houten, op bij aanvullend
beroepschrift vermelde gronden tegen die uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop mr. Jansen,
voornoemd, heeft gereageerd. Gedaagde heeft vervolgens bij brief van 9
maart 2004 nadere informatie verstrekt.
Bij schrijven van 2 juni 2004 heeft appellant nadere medische gegevens
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juni 2004, waar
appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen
mr. F. Landwaart, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en
gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de navolgende feiten en
omstandigheden, welke ook hij als vaststaand aanneemt:
"Eiser is als zelfstandige werkzaam geweest in zijn garagebedrijf.
Hij is op 15 januari 1999 voor dit werk uitgevallen als gevolg van een
inklemming/aantasting van het verticale ruggenmerg.
In het kader van de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid bij het
einde van de wachttijd van 52 weken heeft de verzekeringsarts F. Dekker
(hierna: de verzekeringsarts) eiser op 3 oktober 2000 onderzocht en
vastgesteld dat eiser neurologische prikkelings- en
uitvalsverschijnselen heeft die kunnen passen bij een aantasting van het
cervicale ruggenmerg- of de zenuwwortels. De nek en benen vertonen een
functiestoornis. De verzekeringsarts heeft eiser minder belastbaar
geacht op de aspecten lopen, traplopen, klimmen, klauteren, knielen,
kruipen en het draaien van de nek en deze beperkingen aangegeven op het
Functie informatiesysteem va/ad (Fis-scoreformulier).
In het rapport van 15 januari 2001 heeft de arbeidsdeskundige G.J.J.M.
Verhaagh-Sieben (hierna: de bezwaararbeidsdeskundige) voor eiser
passende functies geselecteerd en berekend dat eisers verlies aan
verdiencapaciteit op grond van deze functies minder dan 25% bedraagt.
Op grond van deze gegevens heeft verweerder bij besluit van 18 januari
2001 geweigerd aan eiser een WAZ-uitkering toe te kennen.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts M.E.
van Liere (hierna de bezwaarverzekeringsarts) op 31 mei 2001 een rapport
uitgebracht. Op grond van het bezwaarschrift, het rapport van de
verzekeringsarts en de door eiser overgelegde medische gegevens heeft de
bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat voor eiser meer beperkingen
moeten worden aangenomen op de aspecten staan en lopen. Daarnaast heeft
de bezwaarverzekeringsarts aangenomen dat eiser maximaal vier uur met
arbeid belastbaar is aangezien zijn chronische pijn energie vraagt,
waardoor hij sneller vermoeid is. Op grond van het door de
bezwaarverzekeringsarts bijgestelde Fis-scoreformulier heeft de
arbeidsdeskundige functies geselecteerd met de voor eiser vastgestelde
maximale urenomvang. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat op grond
van deze functies eisers verlies aan verdiencapaciteit 55,71 bedraagt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eiser met ingang van 13
januari 2000 een WAZ-uitkering toegekend berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%."
De rechtbank heeft, kort weergegeven, geoordeeld dat het bestreden
besluit in medisch en arbeidskundig opzicht op een niet onjuiste
grondslag berust. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat door
gedaagde(s verzekeringsarts) een rechtens te honoreren verwachting is
gewekt dat appellant op 13 januari 2000 80 tot 90% arbeidsongeschikt was
te achten.
In hoger beroep is evenals in de procedure bij de rechtbank aangevoerd
dat uit de beschikbare medische informatie moet worden geconcludeerd dat
de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 80 tot 90% bedraagt en
dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een dergelijke mate van
arbeidsongeschiktheid ook door de verzekeringsarts F. Dekker zou zijn
toegezegd. Voorts is een brief van 1 maart 2002 van de neuroloog H.J.
Schelhaas in het geding gebracht, waaruit valt op te maken dat deze
neuroloog een neuroborelliose in de zin van een polyradiculopathie als
medeoorzaak van de klachten van appellant niet uitsluit.
Wat betreft het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel
onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank volledig. Ook hetgeen
overigens in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding de
aangevallen uitspraak voor onjuist te houden of tot het instellen van
een nader medisch onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking het ter
zitting van de Raad met toestemming van appellant door de gemachtigde
van gedaagde overgelegde commentaar van 17 juni 2004 van de
bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel. Deze bezwaarverzekeringsarts
geeft in zijn reactie op eerdergenoemde brief van de voornoemde
neuroloog Schelhaas onder meer aan dat, los van de oorzaak van de
klachten, de door de bezwaarverzekeringsarts M.E. van Liere vastgestelde
beperkingen voldoende tegemoet komen aan de klachten van appellant.
Al het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet
slaagt en de aangevallen uitspraak mitsdien voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|