|
Uitspraak
02/2275
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 27 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd appellante in
aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), op de grond dat
zij op en na 10 februari 2001 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
Namens appellante heeft mr. B.M. van Kerkvoorden, werkzaam bij ARAG -
Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te
Leusden, bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
Bij besluit van 6 september 2001 heeft gedaagde evenvermeld bezwaar
ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft het namens appellante ingestelde beroep
tegen het besluit van 6 september 2001 (hierna: het bestreden besluit)
bij uitspraak van 12 maart 2002, procedurenr. 01/1148 WAZ K1,
ongegrond verklaard.
Namens appellante is op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 juni 2004, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.P.J.M. van
Gestel, kantoorgenoot van mr. Van Kerkvoorden, als haar gemachtigde
alsmede door K. Touwen, werkzaam voor het Administratiekantoor Touwen te
Tilburg, als haar medegemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen
mr. K. van der Wal, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert samen met haar echtgenoot in een vennootschap
onder firma een binnenvaartschip. In april 2000 heeft zij in verband met
klachten die zij ondervindt als gevolg van een haar op 13 februari 2000
overkomen verkeersongeval een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij
gedaagde aangevraagd.
Gedaagdes verzekeringsarts heeft als diagnose “whiplashletsel”
gesteld en heeft de beperkingen van appellante in een
belastbaarheidspatroon, gedateerd 14 februari 2001, vastgelegd.
Appellante wordt door de verzekeringsarts nog in staat geacht
werkzaamheden te verrichten die licht van aard zijn en de aangedane
ledematen, nek en romp niet te veel belasten.
Gedaagdes arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante,
gegeven de ten aanzien van haar in aanmerking genomen
arbeidsbeperkingen, nog slechts als gedeeltelijk arbeidsgeschikt voor de
eigen maatgevende arbeid als binnenschipper valt aan te merken. Hij
heeft het maatgevende jaarinkomen van appellante bepaald aan de hand van
het aan haar toekomende aandeel van de gemiddelde ondernemingswinst over
de jaren 1997, 1998 en 1999 en heeft het aldus gevonden jaarinkomen
vervolgens, ter bepaling van het maatgevende uurloon, gedeeld door 2600,
zijnde het product van 52 werkweken van 50 arbeidsuren elk.
Het op vorenomschreven wijze berekende maatgevende uurloon van f 18,11
heeft de arbeidsdeskundige vervolgens, ter bepaling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante, afgezet tegen een bedrag van f
16,27, zijnde het met de reductiefactor - als bedoeld in de bijlage bij
het Besluit uurloonschatting 1999 - van 38/50 vermenigvuldigde uurloon
van f 21,41, behorende bij de middelste van de drie hoogstverlonende van
de voor appellante als passende arbeidsmogelijkheden geselecteerde
loondienstfuncties. Deze rekensom laat een uitkomst zien van 10,2%,
hetgeen geleid heeft tot een weigering van toekenning bij het primaire
besluit van een WAZ-uitkering aan appellante, aangezien zij minder dan
25%, en derhalve niet in een voor de toepassing van die wet relevante
mate arbeidsongeschikt is te achten.
In het kader van het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar heeft
de bezwaarverzekeringsarts van gedaagde op basis van het door deze
ingestelde (dossier)onderzoek appellante iets zwaarder beperkt geacht op
het item “buigen” dan was neergelegd in het belastbaarheidspatroon
van 14 februari 2001, maar tevens vastgesteld dat dit voor de
geschiktheid van de functies in medisch opzicht niet uitmaakt.
Gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige heeft, alsnog rekening houdend met
vakantieweken van appellante, maar appellante wel houdend aan haar
oorspronkelijke opgave van 50 uur per week, het aantal werkweken op
jaarbasis nader bepaald op 46 in plaats van op 52 - hetgeen leidt tot
een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van 44,23 uur per week - en heeft
met inachtneming daarvan het maatgevende uurloon herberekend op f 20,47
alles inbegrepen.
Met toepassing van artikel 10, tweede lid, van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten heeft de bezwaararbeidsdeskundige
vervolgens het hiervoor vermelde mediane uurloon van f 21,41 gemaximeerd
op f 20,47 en dat uurloon vermenigvuldigd met een reductiefactor van
38/44,23, hetgeen tot een resterende verdiencapaciteit leidde van f
17,59 per uur en een mate van arbeidsongeschiktheid van 14%, derhalve
nog steeds minder dan 25%. De Raad wil niet nalaten op te merken dat
evenbedoelde maximering in het licht van het bepaalde in het derde lid,
aanhef en onder b, van evengenoemd artikel overigens niet terecht is, nu
immers niet is kunnen blijken dat appellante niet langer in staat is te
achten tot het verrichten van arbeid in de maatgevende omvang, maar dit
is niet in het nadeel van appellante en is verder, naar mede uit het
navolgende zal blijken, niet van belang voor de houdbaarheid in rechte
van het bestreden besluit.
Gegeven de hiervoor vermelde uitkomsten van de heroverweging van het
primaire besluit, heeft gedaagde bij het bestreden besluit het bezwaar
van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de ten aanzien van
appellante in aanmerking genomen beperkingen, in welk verband de
rechtbank in het bijzonder heeft overwogen dat van de kant van
appellante geen enkel medisch stuk is overgelegd waaruit zou kunnen
blijken dat zij meer beperkt is dan door gedaagde is aangenomen.
Voorts heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de grief van
appellante verworpen dat gedaagde ten onrechte is uitgegaan van
werkweken van 50 uur per week (en gemiddeld van 44,23 uur per week). De
rechtbank heeft in dit verband overwogen dat appellante bij haar
aanvraag om uitkering zelf heeft aangegeven 50 uur per week te werken.
Gedaagde heeft zich terecht kunnen baseren op de door appellante zelf
afgelegde eerdere verklaringen. Om die reden is de rechtbank
voorbijgegaan aan de in beroep naar voren gebrachte nadere opvatting van
appellante dat haar werkelijke arbeidstijd aanzienlijk minder, namelijk
gemiddeld 37,5 uur per week, heeft bedragen.
In hoger beroep is namens appellante in het bijzonder en met nadruk
evenvermelde grief met betrekking tot haar gemiddelde wekelijkse
arbeidstijd herhaald. Daarbij gaat appellante ervan uit dat een
berekening op basis van de door haar voorgestane maatgevende omvang van
37,5 uur per week, leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van ten
minste 25%. Daarnaast blijft zij het oneens met de voor haar
vastgestelde medische beperkingen en is zij in het bijzonder van oordeel
dat enkele van de geduide functies - waaronder de bij de schatting in
aanmerking genomen functie van pontknecht - in verband met op de
verwoordingen functiebelasting daarvan voorkomende markeringen voor haar
niet passend zijn te achten.
Het hoger beroep van appellante slaagt niet.
De Raad overweegt daartoe in de eerste plaats dat van de zijde van
appellante ook in hoger beroep geen medische stukken zijn ingebracht die
aanleiding zouden kunnen geven om de door gedaagde in aanmerking genomen
medische beperkingen van appellante als onvolledig of onjuist te
bestempelen. De Raad merkt hierbij voorts op dat in het licht van het
wettelijke arbeidsongeschiktheidscriterium geen doorslaggevende
betekenis kan worden toegekend aan de subjectieve beleving door
appellante van haar klachten.
Voorts heeft de Raad, aldus ervan uitgaande dat de belastbaarheid van
appellante door gedaagde niet is overschat, evenmin voldoende grond om
mee te gaan met de opvatting van appellante dat de bij de schatting in
aanmerking genomen functies niet alle passend zijn te achten. Mede gelet
op de rapportage van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts van 29 augustus
2001, staat voor de Raad genoegzaam vast dat die functies alleszins
geacht kunnen worden in medisch opzicht binnen het bereik van appellante
te liggen.
Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, is de Raad voorts van
oordeel dat er onvoldoende reden is om de functie van pontknecht in
arbeidskundig opzicht als ongeschikt aan te merken, vanwege de daaraan
blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst verbonden opleidingseis, waaraan
appellante strikt genomen niet voldoet. Van de zijde van appellante is
ter zitting verklaard dat de door haar gevolgde nautische opleiding en
de daarmee behaalde diploma’s weliswaar niet precies gelijk zijn aan
de voor deze functie gevraagde opleiding en diploma’s, maar dat het
anderzijds in de rede ligt ervan uit te gaan dat zij met haar - in
overwegende mate wel gelijksoortige - opleiding, diploma’s en
werkervaring door een werkgever zal worden aangemerkt als een potentieel
geschikte kandidaat voor een dergelijke functie, die, eenmaal
aangenomen, op relatief eenvoudige wijze de gevraagde diploma’s kan
behalen. De Raad heeft geen redenen om daarover anders te oordelen.
De Raad kan en zal vervolgens in het midden laten wat er zij van de door
appellante, in afwijking van haar aanvankelijke verklaring, betrokken
stelling dat haar maatgevende omvang dient te worden bepaald op
gemiddeld 37,5 uur per week, nu zulks, anders dan van de zijde van
appellante wordt aangenomen, voor de schattingsuitkomst niet uitmaakt.
Appellante ziet namelijk over het hoofd dat bij een maatgevende omvang
van 37,5 uur per week niet alleen het maatgevende uurloon, maar ook de
resterende verdiencapaciteit hoger wordt. Het mediane uurloon, zoals dat
is ontleend aan de in een omvang van 38 uur per week voorkomende functie
van assemblagemedewerker, behoeft dan immers niet meer met enige
reductiefactor te worden verlaagd, maar kan dan zonder meer worden
gesteld op het bij die functie behorende uurloon van f 21,41. Zelfs
indien zou worden meegegaan met het namens appellante ter zitting naar
voren gebrachte (nadere) standpunt dat het maatmanloon zou dienen te
worden gesteld op een bedrag van f 27,30 per uur, zou vergelijking van dat maatmanloon met evengenoemd
uurloon van f 21,41 nog steeds niet tot een voor de toepassing van de WAZ relevante
mate van arbeidsongeschiktheid leiden.
Gelet op het bovenstaande en voorts in aanmerking genomen dat de Raad in
het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook
overigens geen aanleiding heeft om het bestreden besluit in rechte niet
juist te achten, komt de Raad tot de slotsom dat het beroep tegen het
bestreden besluit door de rechtbank terecht ongegrond is verklaard. De
aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|