|
Uitspraak
02/3774
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.A. Slager, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand
te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Haarlem dd. 14 juni 2002 in de appellante betreffende zaak met
(rechtbank)nummer Awb 01-1044.
Door gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nadere stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juni
2004, waar appellante, na voorafgaand schriftelijk bericht, niet is
verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank in haar uitspraak
terecht heeft geoordeeld dat het door appellante in rechte betwiste
besluit van gedaagde van 18 juni 2001 in rechte stand kan houden.
In dat besluit is door gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van
appellante - tegen het besluit van 18 januari 2001 om de haar toegekende uitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) (tot 1 januari
1998), respectievelijk de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) (vanaf 1 januari 1998), die is gebaseerd op een
arbeidsongeschiktheid van 80-100%, wegens inkomsten uit arbeid, ingaande
3 augustus 1997 niet uit te betalen en - tegen het besluit van 8 februari 2001 om de over de periode van 3
augustus 1997 tot 1 augustus 2000 onverschuldigd betaalde AAW-,
respectievelijk WAZ-uitkering ten bedrage van in totaal f 63.196,29
(bruto uitkering + overhevelingstoeslag) terug te vorderen.
Het geding spitst zich in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, toe op
de vraag of de door appellante over de jaren 1997, 1998 en 1999 bij de
belastingdienst aangegeven winst uit onderneming, door gedaagde bij het
bestreden besluit terecht als - voor korting ingevolge de wettelijke
kortingsbepalingen vatbare - inkomsten uit arbeid is aangemerkt.
Appellante handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat zij na 3
augustus 1996, wegens ernstige hartklachten feitelijk geen arbeid meer
heeft verricht. Gedaagde blijft in hoger beroep, ook na kennisneming van
de namens appellante in hoger beroep ingediende schriftelijke
verklaringen, van mening dat appellante voormeld standpunt onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt.
De Raad is met de rechtbank, op door de rechtbank in de aangevallen
uitspraak vermelde gronden, van oordeel dat gedaagde bij het bestreden
besluit terecht heeft aangenomen dat de inkomsten die eiseres uit de
vennootschap onder firma ontving, als inkomsten uit arbeid moeten worden
aangemerkt.
Naar het oordeel van de Raad rust de bewijslast van het door appellante
ingenomen andersluidende standpunt bij appellante, en is appellante in
dat bewijs niet geslaagd.
Met betrekking tot het door appellante ingenomen standpunt dat de
belastingaangiften over de jaren 1997 tot en met 1999 in strijd met de
waarheid zijn ingevuld verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de
aangevallen uitspraak terzake heeft overwogen.
Het door appellante vermelde feit dat de loonkosten aanmerkelijk zijn
gestegen sinds de zoon van appellante in 1997 bij het bedrijf is komen
werken, hetgeen ook blijkt uit de in de zich in het dossier bevindende
financiλle gegevens van het bedrijf, is naar het oordeel van de Raad
geen ondubbelzinnig bewijs voor de stelling dat appellante sinds 3
augustus 1997 niet heeft gewerkt. De Raad merkt in dit verband nog op
dat uit voormelde stukken ook blijkt dat de omzet is gestegen.
De stelling van appellante dat haar medische situatie het haar niet
toestond enige werkzaamheden te verrichten, is niet met informatie van
de appellante behandelend specialist onderbouwd en kan naar het oordeel
van de Raad evenmin leiden tot ondubbelzinnig bewijs van voormelde
stelling.
Ook aan de in hoger beroep namens appellante ingediende
(getuigen)verklaringen van drie familieleden die bij de vennootschap
onder firma werken en een accountmanager, die - kort gezegd - verklaren
dat appellante geen werkzaamheden voor het assurantiekantoor heeft
verricht, kan naar het oordeel van de Raad in het licht van de overige
gegevens, mede gezien de summiere inhoud van die verklaringen, niet de
betekenis worden toegekend die appellante daaraan toegekend wil zien.
Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W.Schuttel als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P.
van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juli
2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|