|
Uitspraak
02/2215
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij besluit van 15 juni 2000 op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd gedaagde
met ingang van 29 november 1999 een uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 27 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2000 gegrond
verklaard en geweigerd aan gedaagde met ingang van 1 juli 1996 een
uitkering ingevolge de WAZ toe te kennen.
De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 4 april 2002, nummer Awb
01/627, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het
besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt, met
bepaling dat appellant het griffierecht vergoedt.
Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij beroepschrift uiteengezette
gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 juni
2004, waar namens appellant is verschenen mr. J.Z. Groenenberg, werkzaam
bij het Uwv, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
F.J.R. de Nijs.
II. MOTIVERING
Gedaagde, werkzaam als zelfstandig polyesterverwerker, heeft op 21 maart
2000 een aanvraag ingevolge de WAZ ingediend in verband met op 1
december 1998 ontstane arbeidsongeschiktheid wegens nekklachten.
Bij besluit van 15 juni 2000 heeft appellant afwijzend op deze aanvraag
beslist, oordelend dat gedaagde na ommekomst van de op 1 december 1998
ingegane wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit
berust op een medische beoordeling, waarbij voor gedaagde in verband met
zijn klachten beperkingen zijn vastgesteld. Op basis van deze
beperkingen heeft de arbeidsdeskundige gedaagde geschikt geacht voor een
aantal geselecteerde functies met een loonwaarde die na vergelijking met
het maatmaninkomen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van
12,63%. De arbeidsdeskundige heeft daarbij het maatmaninkomen per uur
berekend door de gemiddelde bedrijfswinst in de drie jaar voorafgaand
aan 1 december 1998 te delen door een aantal van 20 gewerkte uren per
week.
Na door gedaagde ingesteld bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts, na
het ontvangen van inlichtingen uit de behandelende sector, de aanvang
van de - blijvende - arbeidsongeschiktheid van gedaagde gesteld op 1 juli 1995.
Hierop is het bestreden besluit gevolgd, waarin, onder gegrondverklaring
van het bezwaar, de aanvang van de arbeidsongeschiktheid is gesteld op 1
juli 1995, doch tevens is beslist tot weigering van uitkering ingaande 1
juli 1996. Dit besluit berust wat de arbeidskundige component betreft op
een nieuwe berekening van het maatmaninkomen per uur, waarbij de
gemiddelde bedrijfswinst in de de drie jaren voorafgaand aan 1 juli 1995 is gedeeld door een aantal van 40 gewerkte uren per week,
leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 16,6%.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd onder overweging dat
appellant onvoldoende zijn standpunt heeft onderbouwd dat gedaagde
voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, 1 juli 1995, voor
40 uur werkzaam was. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat
gedaagde weliswaar zelf heeft opgegeven dat hij 40 uur werkte, doch
tevens heeft gesteld dat hij bij het doen van die opgave door
medicijngebruik versuft was en in feite hooguit 3 ΰ 4 uur werkzaam was.
Tevens heeft de rechtbank overwogen dat volgens de
bezwaarverzekeringsarts de eerste arbeidsongeschiktheidsdag al in 1993
ligt, dat er medio 1995 een exacerbatie van de klachten was welke nooit
meer geheel zijn verdwenen en dat gedaagde vanwege diezelfde aanhoudende
klachten op 4 oktober 2000 volledig arbeidsongeschikt is geacht.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad gaat, evenals de rechtbank, uit van 1 juli 1995 als de datum van
aanvang van de arbeidsongeschiktheid. De Raad wijst er in dit verband op
dat deze datum niet gemotiveerd is betwist en dat er bij gedaagde
weliswaar ook in 1993 sprake is geweest van tot arbeidsongeschiktheid
leidende klachten, doch volgens de analyse van de
bezwaarverzekeringsarts, welke mede berust op informatie verkregen van
de huisarts, niet gedurende een lange periode.
Ten aanzien van het aantal gewerkte uren voorafgaand aan die eerste
arbeidsongeschiktheidsdag heeft gedaagde in de eerste plaats een aantal
van 40 α 50 genoemd in zijn aanvraagformulier van 21 maart 2000, waar
het uitgangspunt nog was arbeidsongeschiktheid ontstaan op 1 december
1998. De Raad wijst er in dit verband op dat de bezwaarverzekeringsarts
gemotiveerd heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat gedaagde
ten tijde van die aanvraag de geestvermogens miste om de aanvraag goed
in te vullen. Gedaagde heeft de opgave van 40 ΰ 50 uur herhaald tijdens
een onderzoek op 23 mei 2000 door de verzekeringsarts, terwijl hij op de
hoorzitting op 15 november 2000 heeft verklaard dat de teruggang naar 3 uur per dag
plaatsvond in 1996/1997. Ook in antwoord op een hem op 19 juni 2000 door
de bezwaararbeidsdeskundige telefonisch gestelde vraag heeft hij
verklaard dat hij tot 1996 40 uur werkte, en daarna gedurende minder
uren. De Raad acht op grond van deze in dezelfde lijn liggende
verklaringen voldoende aannemelijk dat er in elk geval niet vσσr de nu
in geding zijnde datum 1 juli 1995 sprake is geweest van een teruggang
in uren, daarbij nog opmerkend dat er vanaf het jaar 1995 sprake is
geweest van een teruggang in de bedrijfswinsten, welke met een teruggang
in gewerkte uren verband zou kunnen houden.
De Raad acht op grond hiervan, anders dan de rechtbank, het uitgangspunt
van 40 gewerkte uren voor de berekening van de mate van
arbeidsongeschiktheid voldoende onderbouwd en ook juist. Nu er voor het
overige in hoger beroep geen geschilpunten aan de orde zijn brengt dit
mee dat onder vernietiging van de aangevallen uitspraak het bestreden
besluit in stand dient te worden gelaten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2004.
(get.)
J.Janssen.
(get.) J.P. Grauss.
|
|