|
Uitspraak
04/367
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Maastricht van 18 december 2003, nr. AWB 2002/1753 WAZ, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 23
juni 2004 nog een vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 juli 2004, waar
appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M. Wardenburg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is vanaf 1992 werkzaam geweest als zelfstandig exploitant van
een café-discotheek te Kerkrade. De onderneming werd gedreven onder de
statutaire naam Exploitatiemaatschappij Bel Air B.V., waarvan alle
aandelen eigendom waren van Fint Holding B.V. Appellant bezat alle
aandelen van laatstgenoemde vennootschap. Tevens is appellant vanaf 1994
werkzaam geweest als acquisiteur voor Lucky Games Huxley Ltd, gedurende
gemiddeld 3 uur per week.
Medio 1998 heeft appellant zijn werkzaamheden als exploitant van de
hiervoor genoemde onderneming gestaakt wegens spanningen. Namens
appellant is in ieder geval in september 2000 aan gedaagde verzocht om
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met
ziekte vanaf 19 juni 1998, waarna in november 2000 door appellant een
aanvraagformulier voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is ingediend bij
gedaagde.
Bij besluit van 22 november 2001 heeft gedaagde geweigerd een uitkering
ingevolge de WAZ aan appellant toe te kennen vanaf 18 juni 1999, omdat
de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% zou bedragen.
Daarbij is overwogen dat appellant primair geschikt wordt geacht om zijn
eigen werk weer te verrichten en subsidiair dat appellant geschikt is
gangbare arbeid te verrichten. Aan dit besluit ligt een medische
beoordeling ten grondslag, volgens welke bij appellant sprake is van
beperkingen in verband met eczeem, myalgie en surmenage. Hierop is een
arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming
van die beperkingen sprake is van geschiktheid tot het verrichten van
het eigen werk als exploitant en vertegenwoordiger. Daarbij is de
arbeidsdeskundige ervan uitgegaan dat appellant als exploitant van een
café-discotheek ongeveer 10 uur per week werkzaam was, waarbij hij zich
bezighield met de boekhouding, het plaatsen van bestellingen, de
ontvangst daarvan, het tellen van de kas en het aanwezig zijn op de
zaak, en als vertegenwoordiger gemiddeld 3 uur per week. Tevens werd
appellant geschikt geacht een aantal gangbare functies te vervullen,
leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van ongeveer 6%. Bij
beslissing op bezwaar van 23 oktober 2002, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde het besluit van 22 november 2001 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten zijn
gevonden op grond waarvan aangenomen moet worden dat gedaagde de
belastbaarheid voor appellant onjuist heeft vastgesteld. Daarbij is
overwogen dat een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft
plaatsgevonden en dat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd
die steun kunnen bieden voor een ander oordeel.
In hoger beroep heeft appellant - onder meer - aangevoerd dat al veel
eerder dan in november 2000 een aanvraag om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingediend bij gedaagde, waarop niet
tijdig is gereageerd. Voorts heeft appellant gewezen op een advies van
de G.G.D. Oostelijk Zuid-Limburg van 27 november 2000, gericht aan de
afdeling Welzijn en sociale zaken van de gemeente Heerlen, waarin wordt
geconcludeerd dat appellant volledig arbeidsongeschikt dient te worden
beschouwd in verband met eczeem en forse psychosociale problematiek, aan
welk advies een geldigheidsduur van 6 maanden is gegeven, waarna zonodig
een herkeuring diende plaats te vinden. Verder heeft appellant
aangevoerd dat hij door een onafhankelijk arts gekeurd had moeten
worden.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat niet is gebleken dat door of namens appellant vóór
september 2000 een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ingediend bij gedaagde. Derhalve kan de grief van appellant met
betrekking tot het niet tijdig beslissen op die eerdere aanvraag niet
slagen.
Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagdes
(bezwaar)verzekeringsartsen
de voor appellant geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten
van arbeid op zorgvuldige wijze hebben vastgesteld en dat daarbij in
voldoende mate rekening is gehouden met de medische klachten van
appellant. In dit verband acht de Raad van belang dat rekening is
gehouden met alle door appellant genoemde klachten en dat zowel
lichamelijke als psychische beperkingen voor appellant zijn aangenomen.
Het door appellant overgelegde rapport van de G.G.D. vermag de Raad niet
tot een ander oordeel te brengen, nu in deze rapportage wordt uitgegaan
van dezelfde lichamelijke en psychische klachten als gedaagdes
(bezwaar)verzekeringsarts en de daaraan verbonden conclusie ten aanzien
van arbeidsgeschiktheid niet is gebaseerd op het
arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAZ. Verder zijn in hoger beroep
door appellant geen medische of andere gegevens overgelegd, waaruit
afgeleid kan worden dat meer beperkingen voor hem dienen te gelden. De
Raad heeft dan ook geen aanleiding gevonden een nader medisch onderzoek
te gelasten zoals namens appellant is bepleit.
Voorts is ook de Raad van oordeel dat appellant, rekening houdend met de
vastgestelde beperkingen, in staat moet worden geacht zijn eigen werk
als exploitant van een café-discotheek en als vertegenwoordiger
gedurende tezamen gemiddeld 13 uur per week te verrichten. Daarbij gaat
de Raad uit van de door de arbeidsdeskundige beschreven - en door
appellant niet betwiste - omvang en inhoud van de werkzaamheden van
appellant als exploitant en als vertegenwoordiger. Deze werkzaamheden
vallen binnen de voor appellant geldende beperkingen.
Nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat appellant op en na 19
juni 1999 geschikt was te achten zijn eigen werk te verrichten komt de
Raad niet meer toe aan een bespreking van de subsidiair aangevoerde
motivering.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2004.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.)
C.D.A. Bos.
|
|