|
Uitspraak
01/6158
WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. G.J.F.M. Linders, advocaat te Valkenburg aan de
Geul, op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen
van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2001, nr.
AWB 00/5196 WAZ, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een tweetal rapportages
in het geding gebracht.
Namens appellant zijn bij schrijven van 25 juli 2003 en 9 oktober 2003
nog enige stukken in het geding gebracht, waarop door gedaagde bij brief
van 17 november 2003 is gereageerd.
Bij schrijven van 27 april 2004 heeft gedaagde een vraag van de Raad
beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juli
2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn
gemachtigde, mr. Linders, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant, laatstelijk werkzaam als zelfstandig slager, is sedert 1987
arbeidsongeschikt vanwege hoofdzakelijk rugklachten. In verband met deze
arbeidsongeschiktheid is aan appellant een
arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellant is in 1996 in het kader van de eenmalige herbeoordeling op
grond van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) onderzocht door een
verzekeringsarts, waarna er nog een arbeidskundig onderzoek heeft
plaatsgevonden. Deze schatting is vervolgens niet geëffectueerd omdat
het medisch onderzoek van appellant niet door het Belgisch orgaan RIZIV
had plaatsgevonden. Op 13 maart 1998 is appellant alsnog door laatstgenoemde instantie onderzocht. De onderzoekend arts dr. Dhollander
constateerde dat er bij appellant sprake was van een verminderde
belastbaarheid van de rug, dat appellants medische situatie tot een
urenbeperking noodzaakte en dat appellant volstrekt niet belastbaar was
voor knielen/kruipen/hurken, maar hij wel lichte arbeid kon verrichten.
De medische situatie van appellant zou niet gewijzigd zijn ten opzichte
van die in 1996. Gedaagdes verzekeringsarts heeft de bevindingen van het
Belgisch orgaan overgenomen, zij het dat de verzekeringsarts geen
noodzaak heeft gezien voor een urenbeperking en hij appellant nog
enigszins belastbaar heeft geacht voor knielen/kruipen/hurken. De
arbeidsdeskundige heeft hierop een drietal functies geduid waarbij voor
appellant een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 21,68%. Bij
besluit van 10 februari 1999 heeft gedaagde de aan appellant toegekende
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, met ingang van 2 augustus 1999 ingetrokken.
De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant in tegenstelling tot de
primaire verzekeringsarts niet belastbaar geacht voor
knielen/kruipen/hurken en heeft het belastbaarheidspatroon
dienovereenkomstig aangepast. Hetgeen namens appellant, onder
overlegging van verklaringen van orthopedisch chirurg R. Driesen,
medisch adviseur J.A. Ribbens en appellants huisarts J. Belde, tegen de medische
beoordeling is aangevoerd heeft hem geen aanleiding gegeven zijn
standpunt te herzien. Zorgvuldigheidshalve heeft gedaagde het dossier
voorgelegd aan een adviserend verzekeringsarts, die oordeelde dat
appellant wat betreft knielen/kruipen/hurken nog een restcapaciteit had
omdat deze bewegingen met een gefixeerde lumbale wervelkolom uitgevoerd
kunnen worden. Nu appellant in staat moest worden geacht incidenteel wat
van de grond op te rapen, zijn de geduide functies zijns inziens
geschikt te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de adviserend
verzekeringsarts in zijn oordeel gevolgd. In het bijzonder heeft de
bezwaarverzekeringsarts de functies verkooptelefonist en coupeuse,
waarbij incidenteel verlangd wordt om iets van de grond op te rapen, als
passend beschouwd nu hiervoor een langdurige flexie van de wervelkolom
niet vereist wordt. Gedaagde heeft hierop bij het bestreden besluit op
bezwaar van 19 oktober 2000 zijn primair besluit gehandhaafd.
Appellant heeft in beroep de medische grondslag van het bestreden
besluit betwist en aangevoerd dat zijn maatmaninkomen onjuist zou zijn
vastgesteld en dat hij niet in staat is functies op MAVO-niveau, zoals
de functie medische secretaresse, te verrichten.
De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit
onderschreven en geoordeeld dat de geduide functies voor appellant
geschikt zijn te achten. Voorts moet appellant, gelet op het feit dat
hij lange tijd werkzaam is geweest als zelfstandig ondernemer, functies
met MAVO-niveau, zoals de functie van medische secretaresse, kunnen
verrichten. De rechtbank heeft niettemin aanleiding gezien het bestreden
besluit te vernietigen omdat gedaagde het maatmaninkomen onjuist had
vastgesteld. De rechtbank heeft tevens een proceskosten- en een
griffierechtveroordeling uitgesproken.
Appellant heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank betwist.
De rechtbank heeft naar het oordeel van appellant ten onrechte overwogen
dat zijn beperkingen, met name ten aanzien van rugbelastende
werkzaamheden en knielen/kruipen/hurken, juist zijn vastgesteld.
Appellant stelt dat uit de door hem overgelegde medische verklaringen
blijkt dat hij meer beperkt is dan door gedaagde is aangenomen en hij de
geduide functies derhalve niet kan verrichten. Voorts stelt appellant
dat de rechtbank eraan voorbij gaat dat de echtgenote van appellant nu
juist alle administratieve handelingen in zijn bedrijf verrichtte zodat
niet volgehouden kan worden dat appellant functies op MAVO-niveau kan
verrichten.
Gedaagde heeft in hoger beroep een nieuwe berekening van het
maatmaninkomen doen toekomen en een nadere motivering van de
markeringen. Appellant heeft tot slot nog medische verklaringen
overgelegd van zijn oogarts dr. P. Beenders en orthopedisch chirurg A.E. Lisowski. Beide
verklaringen hebben de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven
zijn standpunt te herzien.
Desgevraagd heeft gedaagde de Raad medegedeeld dat hij geen aanleiding
ziet om dr. Dhollander te volgen in zijn oordeel dat appellant niet
voltijds aangepast werk zou kunnen verrichten. Hiertoe wordt aangevoerd
dat de urenbeperking door dr. Dhollander lijkt te zijn ingegeven door het feit dat appellant
langdurig werkonbekwaam is geweest, dat hij daarom niet direct voltijds
zou kunnen werken, maar een en ander moet opbouwen.
Ter zitting heeft gedaagde de Raad nog medegedeeld dat ten aanzien van
het arbeidskundige aspect (de vaststelling van het maatmaninkomen) een
nieuw besluit genomen zal worden.
De Raad overweegt als volgt,
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of gedaagde de beperkingen
van appellant juist heeft vastgesteld en appellant met deze beperkingen
de geduide functies, waarvan één op MAVO-niveau, kan verrichten. Ten
aanzien van de berekening van het maatmaninkomen merkt de Raad op dat
gedaagde in hoger beroep een nieuwe berekening heeft overgelegd en heeft
aangekondigd hierover een nieuw besluit te nemen. Het maatmaninkomen is
derhalve niet langer een punt van geschil tussen partijen.
De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen aanwijzingen kunnen vinden
waaruit geconcludeerd kan worden dat appellant meer beperkt is dan door
gedaagde is aangenomen, noch dat de verzekeringsartsen onvoldoende
zorgvuldig zijn omgegaan met de door appellant aangedragen medische
gegevens. De Raad overweegt hiertoe dat de bezwaarverzekeringsarts
kennis heeft genomen van de door appellant overgelegde informatie van
zijn behandelende artsen en deze heeft meegewogen in zijn beoordeling.
Hoewel de bevindingen van de behandelende artsen van appellant niet
wezenlijk verschillen van die van de verzekeringsarts en
bezwaarverzekeringsarts, worden er aan de bevindingen door de
behandelende artsen verdergaande medische beperkingen verbonden, zonder
dat hiervoor een voldoende motivering gevonden kan worden. Daarbij is de
Raad uit overgelegde medische verklaringen van medisch adviseur J.A.
Ribbens en orthopedisch chirurg Driesen onder meer gebleken dat de door
hen getrokken conclusies enigszins door acceptatieproblemen en
economische redenen (zoals leeftijd, arbeidsverleden en scholingsgraad)
lijken te zijn ingegeven, terwijl deze aspecten bij het vaststellen van
medische beperkingen geen rol kunnen spelen.
Wat betreft de in hoger beroep overgelegde medische verklaring van
orthopedisch chirurg A.E. Lisowski overweegt de Raad dat de door dr.
Lisowski geconstateerde beperkingen vrijwel conform zijn aan de
beperkingen die geconstateerd zijn door de verzekeringsartsen. Ten
aanzien van de overgelegde medische verklaring van oogarts P. Beenders
merkt de Raad op dat de genoemde oogklachten niet zijn terug te voeren
tot de datum in geding, en op die grond buiten beschouwing dienen te
blijven. Evenzo is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belastbaarheid ten aanzien van
knielen/kruipen/hurken onjuist is ingeschat en overweegt de Raad dat
gedaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant incidenteel
wat van de grond kan rapen omdat hiervoor een langdurige flexie van de
wervelkolom niet vereist wordt. De Raad overweegt tot slot dat gedaagde
in hoger beroep op deugdelijke wijze gemotiveerd heeft waarom hij in
afwijking van dr. Dhollander geen grond ziet om voor appellant op
medische gronden een urenbeperking in acht te nemen. De door dr.
Dhollander voorgestane urenbeperking lijkt immers te zijn ingegeven door
de langdurige werkonbekwaamheid van appellant, hetgeen geen grond kan
zijn om een urenbeperking in acht te nemen.
Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft merkt
de Raad op dat de motivering van sommige markeringen, waaronder die
betreffende het aspect reiken bij de functie van medische secretaresse,
tamelijk summier is. Gedaagde heeft de geschiktheid van deze functie
echter wel gemotiveerd en de Raad acht het voldoende aannemelijk dat de
geduide functie berekend is voor de belastbaarheid van appellant. Voorts
is de Raad van oordeel dat gedaagde genoegzaam gemotiveerd heeft dat de
functie verkooptelefonist ondanks de overschrijding van de
belastbaarheid op het aspect zitten geschikt is te achten voor
appellant. Appellant, die niet langer last heeft van een
wortelcompressie, beschikt voor deze functie immers over een goede stoel
en heeft de mogelijkheid tot vertreden. Evenzo acht de Raad de
overschrijding van appellants belastbaarheid op het aspect
buigen/torderen in de functie coupeuse acceptabel nu appellant, die 50
keer per uur tot 45 graden kan buigen, in deze functie maar 5 keer per
uur tot 60 graden behoeft te buigen en overigens tot 30 graden.
De Raad is tot slot van oordeel dat appellant functies op MAVO-niveau,
zoals de functie van medisch secretaresse, kan verrichten. Voor de
uitoefening van functies op MAVO-niveau wordt vereist dat appellant in
voldoende mate moet kunnen lezen, schrijven en rekenen, zoals het lezen
van een eenvoudige gebruiksaanwijzing of instructie. Appellant is er
naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd aannemelijk te maken dat
hij, gezien zijn opleiding en werkervaring, aan dit niveau niet zou
kunnen voldoen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.S. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2004
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|